Geschiedenis

Precolumbiaanse culturen

Het begin (20.000-1500 v.Chr.)

Men schat dat tussen 15.000 en 20.000 jaar geleden de eerste mensen arriveerden op het Amerikaanse continent. Deze uit Azië afkomstige nomaden konden via een landbrug, die ontstaan was vanwege een laag zeespiegelniveau, van Siberië naar Alaska oversteken. Zij leefden hoofdzakelijk van de jacht en verspreidden zich in minder dan 1000 jaar over heel Zuid-Amerika. De vroegste sporen van menselijke beschaving in Bolivia dateren van 12.000-10.000 v.Chr. en zijn aangetroffen in Viscachani in het departement La Paz. In 1954 werden hier sporen van een werkplaats aangetroffen waar stenen gebruiksvoorwerpen gemaakt werden.

In de arcaico-periode van 8000 tot 1500 v.Chr., werd begonnen met het domesticeren van de uit Noord-Amerika afkomstige kameelachtigen lama en alpaca en het cultiveren van planten zoals quinua (hoogwaardig graan) en maïs. De grotten, waar de bevolking voorheen woonde, werden vervangen door simpele woonvertrekken. Rond het op 3800 m hoogte gelegen Lago Titicaca werd de visserij belangrijk. Hierbij werd de van totorariet gebouwde boot gebruikt. Tussen 2500-1500 v.Chr. werden textiel en keramiek uitgevonden en begon de ontwikkeling van de architectuur.

Wankarani-cultuur (1100 v.Chr. tot 100 n.Chr.)

Deze cultuur ontwikkelde zich op de Altiplano, in het noorden van Lago Poopó (Oruro). Er staan nog ruïnes op de top van een heuvel die een ceremonieel centrum en diverse cirkelvormige vertrekken omvatten. Dit volk wist koper te smelten en men gebruikte obsidiaan (hard vulkanisch gesteente) om speerpunten te maken. Beroemd zijn hun stenen lamakoppen.Tevens werden keramiek en stenen hoofden van lama’s gemaakt, die het idee geven van een vorm van religie.

Chiripa-cultuur (590-116 v.Chr.)

De Chiripa leefden rond de zuidelijke oevers van Lago Titicaca op het schiereiland Tacaco, waar nog archeologische overblijfselen van deze cultuur liggen. Op de top van een heuvel liggen ruïnes die uit diverse vertrekken bestaan en een gedeeltelijk ondergrondse tempel. De trompetten van keramiek van de Chiripa zijn de oudste muziekinstrumenten die men in de Andes heeft aangetroffen.

Beni-cultuur (4000 v.Chr. tot 1200 n.Chr.)

De Llanos, de uitgestrekte tropische oostelijke laagvlaktes van Bolivia, werden bevolkt door rondzwervende, goedgeorganiseerde inheemse stammen die gedurende het natte seizoen te maken hadden met enorme wateroverlast. Als antwoord hierop bouwden zij ingenieuze systemen om het water onder controle te houden. Zij legden kanalen, dijken, meren en terrassen aan, om gedurende het gehele jaar landbouw en transport mogelijk te maken. Bekende producten die zij verbouwden zoals tabak, noten, cassave en katoen stammen uit deze tijd.

Precolumbiaanse culturen in Bolivia

Tiwanaku of Tiahuanaco (200 v.Chr. tot 1200 n.Chr.)

Rond 200 v.Chr. werd de nederzetting Tiwanaku, 15 km ten zuiden van het Titicacameer gesticht. De bewoners hielden zich bezig met landbouw en het hoeden van lama’s en alpaca’s. In de loop van de tijd werden de landbouwtechnieken verbeterd en daardoor de landbouwproductie verhoogd.

Het Andesvolk beschouwde Lago Titicaca door de eeuwen heen als de belangrijkste magische en heilige plek. Volgens hun geloof verrezen de almachtige schepper en de eerste mensen uit het meer. Vanaf 700 v.Chr. werden dan ook diverse tempels rond het meer gebouwd en het is aannemelijk dat de plaats Tiwanaku een religieuze functie had. Rond 600 n.Chr. werd de centrale Andes gedomineerd door twee koninkrijken; in het noorden, wat nu Peru is, heerste de Waribeschaving en in het zuiden, rond Lago Titicaca en de Altiplano, Tiwanaku. De eersten waren oorlogszuchtig en wisten een groot gebied van Centraal-Peru en de kust te veroveren. Zij bouwden een imposant wegennet waar later de Inca’s gebruik van maakten. De Tiwanaku-cultuur daarentegen was verantwoordelijk voor de stedelijke revolutie in Zuid-Amerika. Voorheen leefde de bevolking verspreid over het land maar nu woonde men geconcentreerd in Tiwanaku, een welvarende kosmopolitische stad omringd door geïrrigeerde landbouwterrassen, die voedsel opleverden voor 60.000 mensen. Architecten wisten met de hulp van vakkundige ambachtslieden schitterende paleizen, tempels en piramides te bouwen. De Inca’s zouden later deze kennis overnemen.

Tiwanaku was bovendien een belangrijke bedevaartplaats waar religieuze ceremonies en rituelen werden uitgevoerd door priesters en waar mensen en dieren werden geofferd aan de goden. Tevens bestond er uitgebreide kennis over astronomie. Monumenten waren met precisie gebouwd op plaatsen die in direct verband stonden met de zon en andere sterren. Verder was deze beschaving bedreven in keramiek waaronder de bekende queros (ceremoniële bekers) en schitterende metalen voorwerpen.

Vanaf 700 n.Chr. veranderde Tiwanaku van een stedelijke in een imperialistische staat. Er was inmiddels een heersende klasse ontstaan die een machtige staat wist te bouwen. Religieuze symbolen en geloven werden geïntegreerd met politiek beleid en zo wist men grote gebieden en mensen te controleren, van het Titicacameer tot het noorden van Chili en Argentinië. De Inca’s zouden in de 15e eeuw nooit zo’n groot rijk hebben kunnen bouwen zonder de kennis van de beschavingen van Tiwanaku en Wari. De hoofdstad Tiwanaku werd als de navel van de wereld beschouwd en een theorie zegt dat de naam Tiwanaku voortkomt uit een vertaling van het Aymarawoord Taypikala, steen in het centrum. De grootste bloeitijd van het rijk was tussen 700 en 1000 n.Chr. Misschien zorgde een dramatische klimaatverandering zoals droogte, voor de plotselinge ineenstorting van dit machtige rijk. De Tiwanaku-cultuur had grote invloed in de veroverde gebieden en ver daarbuiten. Veel elementen op het gebied van politiek beleid, kunst, wetenschap, astronomie en architectuur zijn overgenomen door latere culturen in de Andes.

Aymara-koninkrijken (1200-1450)

Na de ineenstorting van Tiwanaku overheersten diverse onafhankelijke Aymara-koninkrijken van 1200 tot 1450 de Altiplano. Zij hadden een gemeenschappelijke taal, Aymara, en kenden dezelfde culturele gewoontes. Er bestonden zeven Aymara-koninkrijken die verdeeld waren in twee suyu’s (provincies) die elk over diverse koloniën beschikten, om zo zeker te zijn van de aanvoer van diverse goederen. Het gebied ten westen van het Titicacameer heette Urcusuyu en bezat koloniën aan de kust. Umasuyu bestreek de oostelijke Andes en bezat koloniën in de subtropische valleien. De van de Altiplano afkomstige kolonisten, mitimaq, voorzagen hun Altiplano moederland van vis en zout en de kolonisten uit de valleien leverden groentes, fruit, maïs en cocabladeren. Hiervoor ruilden ze producten uit de Altiplano zoals quinua (een graansoort), aardappelen, vlees en wol.

De twee machtigste Aymara-koninkrijken, Colla met de hoofdstad Huatuncolla en Lupaca met de hoofdstad Chuquito, lagen beide rond het Titicacameer en waren voortdurend met elkaar in oorlog. In 1430 versloegen de Lupaca, de Colla en plunderden hun hoofdstad volledig leeg.

De Aymara kenden een klassenstructuur met als basis de ayllu, een groep families gebaseerd op bloedgemeenschap, die collectief arbeid verrichtte. De ayllu was verdeeld in twee groepen: de Hanansaya, de hogere standen en de Urinsaya, de lagere standen. Daarnaast was er nog een klasse, de kurakas, regionale leiders die land bezaten, onafhankelijk van de ayllu’s.

De belangrijkste bron van bestaan was het houden van lama’s en alpaca’s. Deze uiterst nuttige dieren zorgden voor wol, vlees, kleding, brandstof (uitwerpselen) en gereedschappen en de lama werd bovendien gebruikt als lastdier. De landbouwtechnieken werden verbeterd door de aanleg van irrigatiekanalen en nieuwe methodes zoals het drogen en invriezen van de aardappel (chuño). De Aymara veranderden de inrichting van het land dramatisch; er werden nu dorpen met verdedigingswerken (pucara) gebouwd op de heuveltoppen, ver weg van het Titicacameer. Dit in tegenstelling tot de Tiwanaku die hun dorpen aan de oevers van het meer bouwden. Deze cultuur geloofde in een leven na de dood en bouwde daarom voor hun koningen indrukwekkende graftorens (chullpas). Het lichaam van de overleden leider werd zorgvuldig geconserveerd en werd daarna in de graftoren geplaatst, samen met zijn familie, die opgeofferd werd, en voedsel en gebruiksartikelen zoals potten en textiel. Het idee was dat de koning na zijn dood, zijn aardse leven in een andere wereld kon voortzetten. De Aymara aanbaden de zon, de maan, onweer, vulkanen, bergen, grotten maar ook dieren zoals de pad, hagedis, viscacha en slang (afbeeldingen van deze dieren zijn soms aan te treffen bij de chullpas). De voorvaderen werd soms om raad en bescherming gevraagd. Dit gebeurde bij de huaca, een heilige plaats zoals een groot rotsblok, waterval etc. In deze huaca verbleven volgens lokaal geloof de geesten van de voorvaders en werden offers gebracht in de vorm van voedsel of bloed van lama’s. Deze traditie is nog steeds bekend in de Andes.

De Aymara’s waren machtige volkeren die welvaart kenden en zelfs belangen hadden in goud- en zilvermijnen. Zij domineerden tot het einde van de 14e eeuw de Altiplano en een groot deel van het huidige Zuid-Peru. In die tijd leefde op de Altiplano een andere bevolkingsgroep met een eigen taal, de Uros, die al bestonden voor de Aymara. Zij werden onderworpen en hadden totaal geen zeggenschap over land of politiek en waren meestal landarbeiders of vissers in dienst van de Aymara. Later werden de Uros verdreven door oorlogszuchtige groeperingen en vluchtten zij naar drijvende rieteilandjes in het Titicacameer waar ze gesloten gemeenschappen vormden en leefden van de visvangst en de jacht op vogels.

Onder Incabestuur (1450-1537)

Na de ineenstorting van het Tiwanaku- en het Wari-rijk verrees rond Cusco (in het huidige Peru) een Quechuasprekende groep indianen die zich langzaam uitbreidde naar het noorden. In het midden van de 15e eeuw waren zij onder leiding van de Inca Pachacutec, de machtigste groepering van de hooglanden van Peru. Zij noemden zich de Inca’s, naar hun leider Sapa Inca. Ondertussen verzwakten onderlinge vijandigheden de Aymara-koninkrijken en rond 1450 breidden de Inca’s zich uit naar het zuiden en veroverden zij langzamerhand het door Aymara gecontroleerde gebied. Later werden de Boliviaanse hooglanden en de valleien bekend als Collasuyo (het zuiden), dat samen met Antisuyu (het oosten), Chinchaysuyu (het noorden) en Cuntisuyu (het westen) het Incarijk, oftewel Tahuantinsuyu, vormde.

De Inca’s veranderden niet veel aan de organisatie van de voormalige koninkrijken, die redelijk onafhankelijk konden blijven. De lokale leiders, de kurakas, behielden hun verworven macht maar waren nu in dienst van de Inca’s. De Aymara’s wisten hun eigen cultuur, religie en zelfs hun taal te behouden alhoewel ze de wettige taal van het Incarijk, Quechua moesten leren. Deze autonomie was waarschijnlijk te danken aan de macht en welvaart van de Aymara’s vóór de Incatijd. De veroveraars voerden echter elementen van hun religie en beleid in die voor ontevredenheid bij de lokale bevolking zorgden. Zo moest men voortaan de Inca zonnegod, Inti vereren. Bovendien werden voor de Aymara belangrijke religieuze voorwerpen naar Cusco verzonden. Deze werden in de befaamde Coricancha (zonnetempel) tentoongesteld als bewijs van de succesvolle overwinningen van het leger. Tevens was men verplicht belastingen aan Cusco te betalen en werd het gehate mita-systeem ingevoerd. Dit hield in dat de mannelijke bevolking van een streek gedwongen werd voor een bepaalde periode van het jaar in mijnen of constructieprojecten te gaan werken, meestal op verafgelegen plaatsen binnen het Incarijk. Met deze immense mobilisatie van werkkrachten wisten de Inca’s enorme bouwwerken te realiseren en hun befaamde wegen en de indrukwekkende andenes (landbouwterrassen) aan te leggen. De mannen werden tevens het leger ingestuurd om aan de Mita plicht te voldoen.

Verder moesten de regionale edelen hun kinderen naar Cusco sturen voor scholing. Hier kregen de studenten onderricht in religie, elementaire meetkunde, geschiedenis, krijgskunde en retorica. Zo verloren de Aymarastudenten hun culturele achtergronden. Daarnaast werden de lokale, meest bekwame vaklieden (bijvoorbeeld steenhouwers) naar Cusco gezonden om daar mee te helpen aan verdere technische ontwikkelingen of om kennis over te dragen. Cusco vormde daardoor een centrum van kennis. Dankzij de kennis van veroverde volkeren en van vroegere culturen kon het Incarijk in een korte tijd razendsnelle ontwikkelingen doormaken. Ten slotte werden de meest talentvolle, mooiste en intelligentste jonge vrouwen geselecteerd en naar Cusco gezonden om daar te worden opgeleid tot accla (maagd van de zon). Deze uitverkoren vrouwen gingen voortaan de Inca’s dienen. Zij werden ondergebracht in de enorme Acclawasi (huis van de maagden van de zon) die zich vlak bij de Plaza de Armas bevond. Hier hielden ze zich onder andere bezig met het weven van textiel, dat tijdens ceremonies ritueel verbrand werd of het bereiden van chicha (maïsbier) dat geofferd werd aan Pachamama (moeder aarde) of gedronken werd tijdens feesten.

Al deze impopulaire maatregelen en de bezetting van hun land zorgden voor grote ontevredenheid onder de bevolking en dit leidde in 1470 in diverse voormalige Aymara-koninkrijken tot opstand tegen de Incaheerschappij. De Inca’s sloegen de opstand echter neer en stuurden mitimaqs, Quechuasprekende kolonisten, naar de Aymaragebieden. Speciaal naar de zuidelijke en centrale valleien, waar later de steden Sucre en Cochabamba gesticht werden. Deze Quechua-indianen zorgden voor een verandering van de lokale tradities, cultuur en taal in de veroverde gebieden en dit was precies het doel van de Inca’s.

Rond 1500 controleerden de Inca’s weer Collasuyo. De Lupaca en de Colla behielden de meeste autonomie maar waren nu meer geïntegreerd in het Incarijk. De befaamde Inca-wegen, de qollqas (opslagplaatsen voor voedsel en wapens), pucara’s (forten), koloniale steden en militaire kolonisten hadden zich inmiddels over de Boliviaanse hooglanden en valleien verspreid. De tropische laaglanden, met onder andere het Amazonegebied, zouden de Inca’s echter nooit veroveren. Zij ondervonden daar heftige weerstand van de uit Paraguay afkomstige Guaraníes en de Chiriguanos. Als antwoord op een mogelijke dreiging van deze volkeren bouwden de Inca’s forten in de grensgebieden, waaronder Incallajta (Cochabamba) en El Fuerte bij Samaipata (Santa Cruz). Rond 1520 had zich in de zuidelijke hooglanden van de Andes een hoogontwikkelde maatschappij gevormd met een miljoen inwoners en met landbouw als hoofdactiviteit. In dit gebied bevond zich een van ’s werelds grootste mineraalrijke gebieden. Doordat acht jaar later de Spanjaarden binnenvielen konden de Inca’s hun politieke systeem niet volledig invoeren in Bolivia.