Chinese kunsten

Chinese schilderkunst

De Chinese schilderkunst ontstond meer dan 5000 jaar geleden. Overladen als ze is met Chinese geschiedenis, literatuur en filosofie verschilt de Chinese schilderkunst van die van het Westen in haar thema’s, vorm en techniek.

Een van de fundamentele typische kenmerken van de Chinese schilderkunst is dat ideeën en motieven voornamelijk worden voorgesteld in inktlijnen en -punten, in plaats van in kleur, proportie en perspectief.

Chinese schilderingen worden ge-maakt met een penseel dat bestaat uit een steel en een penseelpunt. De steel is gewoonlijk van bamboe of van hout, de penseelpunt is van haar – meestal wolven- of geitenhaar. De penseelpunten zijn zacht en soepel, en gaan goed samen met de stijl van Chinese schilderingen. Over het algemeen wordt in Chinese schilderingen alleen zwarte inkt gebruikt, en als “doek” dienen tere zijde en papier.

Chinese schilderingen zijn te verdelen in drie hoofdcategorieën: portretten, landschappen en bloemen en vogels. Van deze drie tradities is de portretschilderkunst de oudste, die het toneel beheerste tot aan het eind van de Tang-dynastie. Landschapsschilderingen hadden over het algemeen bergen en water als onderwerp, een uitvloeisel van de taoïstische traditie van het zoeken van eenzaamheid in de natuur. Het landschap werd een geliefd onderwerp van kunstenaars, en zou tegen de 11e eeuw toonaangevend worden. Zelfs tegenwoordig nog zullen Chinezen als ze een plek bewonderen als een ideaal van natuurschoon, zeggen dat die plek “bergen en water” heeft. Tijdens de 9e eeuw ontstond een apart genre van bloemen- en vogelschilderingen met gedetailleerde voorstellingen van vogels, vruchten, insecten en bloemen. Sommige van deze werken zijn ongelooflijk gedetailleerd en levendig.

Oude Chinese schilders gebruikten schilderingen om uitdrukking te geven aan hun gevoelens, in plaats van alleen maar de wereld op papier weer te geven. Vanaf de 10e eeuw waren veel schilders ook veelzijdig begaafde dichters en kalligrafen, die gedichten of beschrijvende teksten op hun werk aanbrachten. Het spreekt vanzelf dat veel van de grote schilders ook uitmuntten in kalligrafie, aangezien veel van de penseeltechnieken van die kunst overeenkomen met die van de Chinese schilderkunst. De Chinese kalligrafie zelf wordt beschouwd als een kunst die jarenlange oefening vergt.

Chinese schilderingen worden gewoonlijk afgebeeld op rollen en houden zich niet aan de zogeheten “Gulden Snede”, de westerse notie van de wet van de juiste verhouding. Deze wet zegt dat twee ongelijke gedeelten van een geheel met elkaar in verhouding moeten zijn om voor het oog in evenwicht te zijn. In plaats van het “lijnperspectief” dat in westerse schilderijen wordt gebruikt, gebruiken Chinese schilderingen het “lopend perspectief”, dat een subtiel gevoel van proportie geeft. Een goed voorbeeld hiervan is te vinden in het beroemde Scènes langs de rivier tijdens het Qingming-festival (qîngmíng shànghé tú ?????), dat 24,8 cm bij 528,7 cm meet. Deze lange rolschildering brengt verschillende aspecten van de stad Kaifeng tijdens de Song-dynastie in beeld. De zeer gedetailleerde figuren en taferelen zijn vanuit iedere hoek in verhouding.

Een ander kenmerk van Chinese schilderingen is het veelvuldig gebruik van wit. De blanco ruimte wordt gebruikt om de hemel op te roepen. Soms stellen witte vlakken water of mist voor, en andere keren is de blanco ruimte eenvoudigweg niets – enkel een gevoel van leegte.

In 1714 introduceerde de Italiaanse schilder Giuseppe Castiglione (Láng Shìníng ???) de westerse schildermethodes in China. Hij onderwees de kunstenaars aan het keizerlijk hof westerse stijlen en methoden, en bestudeerde op zijn beurt de Chinese kunst. Voor het eerst vond hier een versmelting van Chinese en westerse schilderkunst plaats.