Provincie Mayabeque

Monument Hemingway Cojimár
Monument Hemingway Cojimár

Oppervlakte: 3.733 km²
Aantal inwoners: 381.000 (2011)
Inwoners per km²: 100
Hoofdstad: San José de las Lajas.

Bijzonderheden: Veel land- en tuinbouw, waar o.a. aardappels, diverse fruitsoorten, groenten en suiker worden verbouwd. Verder naar het oosten leeft men van veeteelt en de daaraan verwante melkindustrie. Zwaardere industrie vindt u in San José de las Lajas en in Santa Cruz del Norte. Fabrieken voor elektriciteitskabels, halffabrikaten voor de rubber-, glas- en keramische industrie. Mooie stranden (Playas del Este).

De oorspronkelijke bewoners van de provincie stammen af van de Guanahatabey- en Ciboney-indianen. Sporen van oeroude bewoners werden aangetroffen in de grotten nabij Guanabo, de Cuevas de la Tomasa, oostelijk van de stad Havana.

Mayabeque, genoemd naar de gelijknamige rivier, was vroeger een deel van de provincie Havana die met  ingang van 2011 opgesplitst werd in Mayabeque en Artemisa. Deze nieuwe provincie werd, na de stadsprovincie Havana, de kleinste provincie van het land. Behalve de reeds genoemde economische activiteiten is het vermeldenswaard dat zich twee fabrieken van de beroemde Havana Club rum in de provincie bevinden.

Diverse hogescholen op het gebied van landbouw en industrie zijn eveneens gevestigd in Mayabeque.

Als u vanuit de stad Havana naar de zuidelijke kust rijdt komt u door een gebied waar veel militaire objecten en kampen zijn. Past u in dit gebied op met filmen en fotograferen, het is absoluut verboden. U herkent de omgeving aan de borden ‘Zono-Militar’.

Het zal u opvallen dat de kleur van de aarde verandert, rood krijgt de overhand. U bevindt zich nu in hét bananengebied van Cuba met als centrale plaats Batabanó. Algemeen wordt aangenomen dat de eerste nederzetting Havana, in 1514 gesticht als San Christóbal de la Habana, op het zuidelijke strand (Mayabeque beach) gelegen was, waarschijnlijk op de plaats (Surgidero de Batabanó) vanwaar thans de veerboot naar het Isla de la Juventud vertrekt. Deze nederzetting werd enkele malen verplaatst in verband met de meer dan nadrukkelijke aanwezigheid van muskieten. In 1519 werd Havana definitief gevestigd op de huidige plaats: de westzijde van de Baai van Havana.

De zuidelijke kuststreken hebben weinig meer te bieden dan moerassen, zodat u het beste naar de noordzijde van Cuba kunt teruggaan. U kunt het plaatsje Bejucal in uw reisschema opnemen. Op 19 november 1837 reed de eerste trein op Cuba tussen de stad Havana en Bejucal, er bestaan nog steeds herinneringen aan die historische rit. De spoorweg werd aangelegd ten behoeve van het transport van suikerriet. Contractarbeiders uit Ierland, maar ook slaven, werkten vele uren per dag aan de spoorweg. Liefhebbers van historische bouwwerken wordt aangeraden om dan meteen een kijkje te nemen in de kerk van Bejucal die dateert uit de 18e eeuw.

Havana zélf heeft, hoewel het aan de Straat Florida ligt, geen natuurlijke stranden. De miljoenenbevolking van de stad mag graag verkoeling zoeken aan de Playas del Este. Het kan er dan ook behoorlijk vol zijn. Het geheel bestaat uit een zevental stranden, waarvan de eerste, Bacuranao, zich ongeveer 15 kilometer buiten de stad bevindt. Het verst gelegen zijn de stranden van Guanabo, zo’n 45 kilometer verderop. Op de meeste stranden heerst een onafgebroken drukte. Er zijn allerlei voorzieningen om het de dagjesmensen naar de zin te maken en het verblijf is niet duur, óók niet in de (over het algemeen eenvoudige) hotels en vakantieparken.

Ze bestaan, gerekend van de kant van Havana, uit de stranden Playa Bucaranao, zeer geliefd bij de jongeren, Playa Tarará met uitstekende duikmogelijkheden, Playa El Mégano en Playa Santa Maria, ooit aangewezen als ‘gezins stranden’, maar tegenwoordig toeristische trekpleisters en Playa Guanabo, óók geliefd bij de toeristen met in het gelijknamige plaatsje de mogelijkheid om onderdak bij particulieren te regelen of zelfs een huisje te huren.

De vele gasten hebben strand en water vervuild, de visstand is enorm teruggelopen, zeer tot onvrede van de inwoners van de dorpen die van de visvangst moeten leven. De drukste stranden bevinden zich in Santa Maria en Guanabo, plaatsen waar ook enig nachtvertier is in discotheken en nachtclubs. Enkele kilometers voorbij het laatste strand bevindt zich de plaats Santa Cruz del Norte, waar de grootste rum destilleerderij van Cuba (Habana Club) gevestigd is.

Verderop in de richting van Matanzas biedt de kust een tamelijk troosteloze aanblik met veel oliebronnen. De kust is op veel plaatsen behoorlijk vervuild.

Op de weg terug naar de stad Havana kijkt u natuurlijk even in Cojimár, het dorp dat model stond voor de vissersplaats in het boek van Ernest Hemingway ‘The Old Man and the Sea’. In het dorp bevinden zich diverse herinneringen aan Hemingway, zoals de Obelisco de Hemingway, waarbij een buste van de schrijver, die in 1954 de Nobelprijs voor literatuur kreeg voor deze novelle.

Aan de haven vindt u ook nog een klein fort: La Chorrera. Het is in 1643 door de Spanjaarden gebouwd, toen bleek dat een aanval op Havana via de haven van Cojímar een betrekkelijk eenvoudige zaak was. Het bolwerk staat te boek als Santo Dorotea de Luna de la Chorrera y Cojímar. Tegenover Cojimár liggen de plaatsjes Alamar en Celimar. Dit zijn modeldorpen, gebouwd door vrijwilligers na de revolutie. Het was de bedoeling hier 40.000 mensen te huisvesten, maar er wonen inmiddels meer dan 100.000 mensen. Hoewel de Cubanen trots zijn op dit staaltje van sociale woningbouw en door Fidel Castro zelfs ‘socialistische triomf’ genoemd, word men niet écht vrolijk als men door het dorp (in feite een buitenwijk en slaapstad van Havana) loopt.

Verder in de richting van Havana passeert u Villa Panamericana met het olympisch stadion, gebouwd ter gelegenheid van de pan-Amerikaanse spelen in 1991. Het sportcomplex bevat o.a. het hotel Panamericano dat indertijd als verblijfplaats diende voor spelers en officials. De appartementsgebouwen voor de atleten worden thans bewoond door Cubanen die in veel gevallen aan de totstandkoming van het dorp en de organisatie van de spelen hebben meegewerkt.

Een van de bolwerken die deel uitmaakten van de verdedigingswerken van Havana, is Fortaleza de San Carlos de la Cabaña, kortweg La Cabaña. Het is een groot langgerekt fort, gebouwd tussen 1764 en 1774. Het kon, in tijden van nood, onderdak bieden aan 5000 soldaten. Het zal opvallen dat de kanonnen niet alleen op de baai gericht zijn, maar ook landinwaarts wijzen. De oorzaak daarvoor moet u zoeken in het feit dat de directe aanleiding voor de bouw gevormd werd door een (geslaagde) inval in Havana door de Engelsen in 1762 vanaf die zijde. Het fort huisvest een militaire academie en een museum waarin de krijgsgeschiedenis nader wordt belicht. Ook nieuwere geschiedkundige feiten worden uit de doeken gedaan. Het fort is echter vooral bekend vanwege de dagelijkse ceremonie: Cañonazo de las nueve. Daarbij wordt, ‘s avonds om negen uur, een kanon afgeschoten ten teken dat de dag ten einde is en de stadspoorten gesloten worden. Het kanon maakt deel uit van een twaalftal exemplaren die elk naar een apostel zijn genoemd. Vandaar de naam: Geschut van de Twaalf Apostelen. Vroeger werden ze alle twaalf ‘s avonds om acht uur afgeschoten ten teken dat de stadspoorten werden gesloten.

Andere verhalen vertellen dat het oorspronkelijk slechts om bluf ging, het afschrikken van een eventuele vijand. Als u de knal hoort dan kunt u zich daar wel iets bij voorstellen. De ceremonie wordt uitgevoerd door ‘soldaten’ die gekleed zijn in tenues uit de 18e eeuw en gaat met veel plichtplegingen gepaard. Binnen de poorten van het fort bevindt zich, in schrille tegenstelling, een bar waar doorgaans livemuziek ten gehore wordt gebracht en er kan gedanst worden.

Het fort heeft trouwens ook in de laatste eeuw deelgenomen aan de geschiedschrijving. Batista liet er zijn (politieke) tegenstanders gevangenzetten. Ze werden er gemarteld en meestal vermoord. Na de machtsovername door Fidel Castro leidde Che Guevara in dit fort een militair tribunaal, waar bestrijders van het Castro-regime werden berecht. Ook in díe tijd hebben ten minste 400 mensen het fort niet levend verlaten.

U bent inmiddels aangekomen in Casablanca, een voorstad van Havana, gelegen aan de oostelijke kant van de Baai van Havana. Als u het bezichtigen van de bolwerken even wilt onderbreken, beklim dan de langs de baai gelegen heuvel, van waaraf u een schitterend uitzicht heeft op het oude Havana.

U bevindt zich bij het kolossale betonnen Christusbeeld, in 1958 door de kunstenaar Madera gemaakt. Het beeld doet een beetje denken aan het Christusbeeld in Rio de Janeiro, met dít verschil dat de armen van de Christus van Cuba niet zijn uitgestrekt. Het beeld staat bekend als Christ of Havana.

Het laatste bolwerk dat u moet ‘nemen’ is het Castillo de los Tres Santos Reyes Magos del Morro, gebouwd tussen 1588 en 1630, kortweg El Morro genoemd (zoals zo veel forten op Cuba). Het is ingericht als museum, waarbij de geschiedenis van de piraten, de zeevaart én het fort centraal staan. De vuurtoren dateert uit 1845. In de directe omgeving bevindt zich het Spaanse restaurant Los 12 Apostolos. Met een uitzicht op Havana en prima eten is het hier goed toeven. De Tunel de la Habana brengt u rechtstreeks in de oude stad.

Voordat u Havana uit oostelijke richting bereikt, passeert u het Campemento Internacional José Martí Perez. Het is ooit opgezet als een opvangcentrum voor Russische kinderen die slachtoffer werden van de ramp met de kerncentrale in Tsjernobyl.

Hoewel Santa Maria del Rosario niet tot de provincie Mayabeque behoort maar tot de stad Havana, is het tóch gemakkelijker om het tijdens een rondrit door de provincie aan te doen. De daar aanwezige 18e-eeuwse kathedraal beschikt over een prachtig interieur en een fraaie verzameling schilderijen en fresco’s. Op zondagmiddag kunt u er zéker terecht, vooropgesteld dat u niet tijdens de mis komt. Tegenover de kathedraal staat de woning van de graaf van Casa Bayona.

Deze suikerindustrieel nodigde op zekere Witte Donderdag een twaalftal slaven uit, waste hen de voeten en nuttigde met hen ‘het laatste avondmaal’. Toen de slaven op paaszondag daarop geen vrij kregen, kwamen ze in opstand. De leiders van de opstand werden op de ‘Heuvel van het Kruis’ omgebracht. Vanaf het plein kunt u deze plaats gemakkelijk bereiken, hoewel de weg behoorlijk steil omhoog gaat. Het houten kruis op de executieplaats werd opgericht als waarschuwing aan alle slaven om niet in opstand te komen.