Banjul

Banjul
Banjul

Banjul is de hoofdstad van Gambia, maar het is niet de grootste plaats van het land. Officieel telt het nauwelijks 40.000 inwoners, maar recente schattingen spreken over bijna 60.000 ingezetenen. De stad is gebouwd op het oorspronkelijke St.Mary Island. Dit eiland in de rivier Gambia werd in 1816 door de Britse officier Alexander Grant, gekocht van de koning van Kombo: Tumani Bojang. Het was toen niet meer dan een zandplaat in de monding van de rivier, maar vanwege de strategische ligging een voor de Britten gewild object.

Het eiland werd gekocht voor de prijs van 25 Britse ponden, waarvan er 18 contant voldaan moesten worden. De rest van het bedrag werd voldaan in andere ‘valuta’, zoals tabak, rum en vuurwapens. (Soms wordt een prijs genoemd van 103 staven ijzer.) Grant noemde het eiland Bathurst, naar Henry, de derde graaf van Bathurst, de Britse minister voor koloniën tussen 1815 en 1827.

Genoemde Grant had de reputatie erg lui te zijn en, bij wijze van spreken, zijn stoel niet uit te komen. Het verhaal gaat dat hij zijn tijd doorbracht in een stoel die was vervaardigd van boomvezels, waarschijnlijk vezels van de baobabboom. In de taal van de Mandinka is ban: stoel en jul: vezel. Banjul betekent dus letterlijk: vezelstoel.

Bathurst maakte een spectaculaire groei door. In 1818 woonden er reeds meer dan 700 mensen en werd het de zetel van het Britse gouvernement. Zeven jaar later was het inwoneraantal gestegen tot bijna 2000 en werd het militaire bewind vervangen door een gouverneur. Banjul is al meer dan 100 jaar door middel van de Dentonbrug, een brug over de Oystercreek (Oesterkreek), verbonden met het vasteland. In de directe omgeving van de brug zijn diverse bedrijven gevestigd, w.o. een pindaverwerkings en -overslagbedrijf van de GPMB, de Gambia Produce Marketing Board.

De huidige brug werd op 18 februari 1986 officieel in gebruik gesteld, bij de herdenking van het feit dat Gambia 21 jaar terug, op 18 februari 1965, onafhankelijk werd. Hiermee was de oude brug die van 1885 dateerde vervangen, hoewel nog steeds delen zichtbaar zijn. De brug kreeg de naam van de toenmalige gouverneur Denton. De omgeving van de brug dient als uitgangspunt voor vele excursies in het waterrijke gebied rond Banjul.

Omdat Banjul ook aan de Atlantische Oceaan ligt, is het een economisch belangrijke stad voor Gambia. Zeeschepen varen tot aan de kade en het is voor middelgrote schepen zelfs mogelijk om via het mangrovegebied dat Banjul omringt, door te varen tot aan de Dentonbrug.

Veel straten in Banjul hebben (nog) een dubbele naam. Tal van vroegere namen herinnerden aan de tijd dat de Britten het bewind over het land voerden. De huidige regering wil dat veranderen en de namen voorzien van namen die voor de Gambianen zelf van betekenis zijn en van personen die vanuit Gambiaans oogpunt iets betekend hebben. Liberation Avenue heette vroeger Wellington Street. De naam van Hurst Street werd vervangen door Bai Ceesay Street. Sommige mensen blijven hardnekkig de oude namen gebruiken. (Dat gebeurt trouwens ook bij stedennamen: zo wordt JanjangBureh wordt nog door iedereen Georgetown genoemd). De Roundabout, de rondweg die u vanuit Half Die naar de Serekunda Highway brengt zonder het gewriemel door de straten van Banjul, heet tegenwoordig vanaf Liberation Avenue: Cherno Adama Bah Street, het gedeelte langs de mangrovemoerassen Kankujereh Road.

De Marina Parade, de belangrijke weg waarlangs vele ministeries en ministeriële gebouwen gevestigd zijn en die eindigt bij het State House, kreeg ook een nieuwe naam: Muammar al Ghadafi Avenue. Dit gebeurde in de tijd dat Gambia en Libië innige (islamitische) banden leken aan te gaan maar die, op grond van internationale commotie, werden afgeblazen. Iedereen, zeker in regeringskringen, spreekt dus weer over de Marina Parade en ook de naambordjes zijn weer teruggehangen.

De Dentonbrug is vierbaans en ook de verbindingsweg tussen de brug en (bij benadering) Bwiam blijft deze breedte houden, zodat het een ideale manier is om het achterland te bereiken. Dit is de enige vierbaansweg in Gambia. Voorbij Bwiam (en geleidelijk aan verder) zet de weg zich in een afgeslankte en vooral slechtere vorm voort. Ooit was dit gedeelte geasfalteerd, maar daar is weinig meer van te merken. Putten en kuilen (waarvan u in de regentijd wél kunt zien hoe groot ze zijn maar niet hoe diep!) maken het rijden over de weg niet tot een aangename bezigheid en het is zeker af te raden om de weg met een gewone auto te berijden. Een hoog op de wielen staande 4WD en trucks komen er wel door, zij het soms met de nodige moeite.

De weg eindigt bij Basse Santa Su, zo’n 300 kilometer naar het oosten. Het is de belangrijkste verkeersader in Gambia. De weg werd, hoewel nog niet gereed, op 4 oktober 1988 officieel in gebruik gesteld bij de herdenking van het feit dat het 25 jaar geleden was dat de voorbereiding om tot onafhankelijkheid te komen begon. In de volksmond wordt de weg Transgambia Highway genoemd, niet te verwarren met de Senegambia Highway, die via Soma en de veerdienst naar Farafenni, het zuiden en het noorden van Senegal met elkaar verbindt. Er wordt hard gewerkt om de weg geheel 4-baans te maken, maar er kan alleen aan gewerkt worden gedurende het droge seizoen. Te vrezen valt dat, wanneer de weg geheel gereed is, het begin, ruwweg vanaf Serekunda, weer aan een hernieuwde laag asfalt toe zal zijn.

Banjul (een naam die door velen ten onrechte wordt uitgesproken als Bandzjoel, het is gewoon Banjoel), de hoofdstad van Gambia moet natuurlijk bezocht worden, maar men moet er zich niet te veel van voorstellen. Het heeft, oppervlakkig gezien, iets weg van een klein Engels stadje, voor zover men niet verder kijkt dan hetgeen er aan de belangrijkste straten gebouwd is.

De entree tot Banjul is het vermelden waard. Aan het begin van de Independence Drive passeert u Arch22. Dit is een monument ter herinnering aan het feit dat op 22 juli 1994 de militairen het bewind overnamen van de van corruptie verdachte eerste president van Gambia Sir Dawda Jawara. Arch22, (naar Frans voorbeeld) ontworpen door architect Pierre Goudiaby, rust op acht zuilen waarop een huisvormige overkapping rust met het wapen van Gambia. ‘Welcome to Banjul’ leest u boven de doorgang. Het 35 meter hoge object dat in opdracht van de tijdelijke militaire regering werd uitgevoerd, was zeer omstreden vanwege de hoge kosten (ongeveer 1 miljoen Amerikaanse dollars).

Het plein vóór Arch22 behoort eveneens tot het monument. Op dit plein staat het beeld van een militair die een kind op zijn arm draagt en een V-teken maakt. Oorspronkelijk was hier een fontein gepland.

De Arch zelf herbergt een kleine dependance van het nationale museum en een café/restaurant. Vanaf het platform boven heeft men een fraai uitzicht over Banjul. De beelden van musicerende mannen aan de andere kant van de Arch staan symbool voor de belangrijkste volkeren en hun onderlinge verbondenheid. De drumspeler vertegenwoordigt alle volkeren, de koraspeler staat voor de Mandinka, Wolof en Fula hebben de kalomspeler als vertegenwoordiger en voor de diverse Serer-stammen is een balafonspeler neergezet. In de onmiddellijke omgeving van de Arch bevindt zich het monument ter nagedachtenis aan de omgekomen onbekende soldaten.

Diverse wijken In Banjul ademen nog armoede uit hetgeen duidelijk te zien is aan de huizen en de staat waarin zij verkeren. De laatste jaren is er veel aan de infrastructuur verbeterd en zijn de open riolen uit het stadsbeeld verdwenen. Zo’n 100 jaar geleden was dat wel even anders. Toen was cholera aan de orde van de dag. De wijk tegenover de haven van Banjul heeft z’n bijnaam aan die periode te danken en heet Half Die (halfdood). Als u de moeite neemt om er eens te kijken, dan kunt u zich misschien nog een voorstelling maken van de herkomst van de bijnaam. Nog slechts enkele jaren terug verbaasde je je erover dat hier niet veel meer en veel frequenter epidemieën voorkwamen. Maar nog steeds wordt u via opschriften op de muren een hartelijk welkom toegeroepen. ‘Welcome to Half Die’ is de nauwelijks opwekkende leuze die op sommige muren geschilderd is.

Als u langs de haven wandelt en u volgt de Liberation Avenue, dan krijgt u een leuke indruk van hetgeen Gambia te bieden heeft. Er scharrelen honderden mensen rond die wachten op een baantje, wat dan meestal bestaat uit het laden of lossen van de vele trucks die op een vrachtje wachten. Kijk eens onder de trucks en u zult ontdekken dat de Gambiaan vindingrijk is bij het creëren van slaapplaatsen. Truckers slapen onder hun wagen, lekker in de schaduw en sommigen zien zelfs kans om een hangmat tussen voor- en achteras te spannen.

Te midden van al die havendrukte krioelt het van kooplui die letterlijk van alles aanbieden wat niet op de toerist gericht is. U kunt er badhanddoeken, schoenen, plastic teilen in alle vormen, maten en vooral kleuren kopen, maar ook een cassettebandje of twee aardappels. Als u er toch bent, probeer dan eens de Gambiaanse shoarm… ah.

Banjul is in de loop van de tijd vele malen geteisterd door watersnoden. Diverse namen herinneren daaraan. Een van de opvallendste namen is die van imam Omar Sowe. De imam (een vooraanstaand moslimleider), zo gaat het verhaal, bezwoer in 1947 het opkomende water door zich midden op de straat op te stellen en simpelweg zijn hand op te steken, ten teken dat het water moest stoppen en zich terug moest trekken. Hij keerde het tij! De gelovige moslims kenden hem bovennatuurlijke krachten toe en verzochten koning George IV in een petitie, de naam van de straat waar het voorval zich afspeelde te mogen wijzigen. Het verzoek werd ingewilligd en zo komt het dat Banjul een Imam Omar Sowe Avenue heeft. Gelet op de huidige naamgeving eigenlijk heel gewoon, maar het was de eerste straat met een aan een Gambiaan gerelateerde straatnaam.

De Grote Moskee (King Fahad Mosque) is een indrukwekkend gebouw, gelegen tussen Harley Njei Street en de Wallace Cole Road. Vreemd genoeg zijn er twee ‘Grote Moskeeën’ in Banjul. De oude, aan Independence Drive een paar honderd meter voorbij Arch22, is de oorspronkelijke. Deze werd in 1930 gebouwd op de plaats waar de eerste moskee in Banjul stond die in 1870 in gebruik genomen werd en was opgetrokken uit gedroogde plaggen en gras. In 1988 kwam de tweede ‘Grote Moskee’ gereed, gebouwd op de plaats waar zich voorheen het voetbalstadion bevond.

In schrille tegenstelling tot de Grote Moskee staat de St. Mary’s Cathedral. Van een kathedraal maakt men zich bepaalde voorstellingen, waaraan het kerkgebouw met z’n golfplaten dak, nauwelijks beantwoordt. Het is een kleine anglicaanse kathedraal, slechts interessant vanwege de plaquettes aan de muren. Ze herinneren aan de, tijdens de koloniale oorlogen, omgekomen Britse militairen. Een bijzonder interessante gedenksteen herinnert aan de ‘Barra-oorlog’. Deze speelde zich af in 1827 en werd veroorzaakt door een dronkenmansruzie tussen de koning van Niumi, Burungay, en de Britse handelaren ter plekke. De koning stond bekend als een nurks mens, die schold op alles en iedereen. De Britten hadden daar op zeker moment genoeg van en trokken de jaarlijkse bijlage van 100 Britse ponden, die ze verschuldigd waren voor de huur van de grond waarop Fort Bullen gebouwd was, in. Toen was de boot echt aan en scheldkanonnades waren aan de orde van de dag. Het verschil van mening heeft echter nooit tot gewelddadige vijandelijkheden geleid. Niettemin ging het de historie in als de ‘Barra-oorlog’.

Heel wat groter is de katholieke kathedraal met z’n indrukwekkende entree tussen Ousman Njie Mojie Street (Rev. William Cole Street) en Hanna Forster Street (Long Street). Voor de ingang moet u ‘achterom’ via de binnenplaats. Het koor en het altaar, maar ook het plafond bevat veel houtwerk. Opvallend zijn de glas-in-loodramen die het zonlicht moeten temperen. De kathedraal biedt plaats aan bijna 300 mensen.

In en rond het voormalige gebouw van het Britse bestuur aan de Independence Drive is het National Museum ondergebracht. Het is niet alleen het nationale, maar tevens het enige echte museum in Gambia. Het is inmiddels opgeslpitst in diverse afdelingen, u vindt een dependance in Arch 22 en in het Independence stadion in Bakau. Het museum werd in 1982 geopend en het geeft een uitstekend beeld van de ontwikkeling van het land. Een bezoek aan het museum neemt behoorlijk wat tijd in beslag, omdat er veel gelezen moet worden. Veel oude foto’s en voorwerpen zijn voorzien van uitgebreide beschrijvingen. Het museum is opgezet in verschillende afdelingen die inzicht geven in het leven en werken van de verschillende volkeren. Ook de manier waarop deze volkeren met leven en dood omgaan wordt uiteengezet. Muziek en dans hebben hun eigen betekenis voor de Gambiaan, hetgeen eveneens uitgebreid wordt belicht. Uiteraard wordt het koloniale verleden van Gambia uit de doeken gedaan. Als u foto’s wilt maken, moet u daar extra voor betalen.

U bent niet in Banjul geweest zonder een bezoek gebracht te hebben aan de Albert Market. Een bonte mengeling van kleuren en geuren. Een echte Afrikaanse markt, waar letterlijk van alles te koop is. Als toerist loop je niet altijd even rustig op de markt, want ook hier wil iedereen wel iets verkopen, hoewel er een apart gedeelte voor toeristen is waar de gebruikelijke souvenirs worden aangeboden. Oppassen voor zakkenrollers en afdingen zijn enkele trefwoorden voor de markt.

Het belangrijkste oorlogsmonument bevindt zich eveneens in Banjul, het staat aan de zuidelijke kant van het 22nd July Square. Het monument draagt de namen van 38 leden van de Gambiaanse Garde die, als eenheid binnen de Royal West African Frontier Forces, omkwamen tijdens de Eerste Wereldoorlog. Het plein zelf met het oude stadion is ingericht als recreatiegebied en draagt nog steeds de naam van de vroegere Britse vorstin Victoria.

Rond het plein en in het eerste gedeelte van de Liberation Avenue (waar zich ook de toegang tot de Albert Markt bevindt) wemelt het van neringdoenden en bedelaars. Aan het plein grenst de The Quadrangle waar de ministeries voor Landbouw, Financiën, Economie, Gezondheid, Binnenlandse Zaken, Toerisme en Jeugd en Sport gevestigd zijn. Vrijwel alle overige ministeries bevinden zich aan Marina Parade.

Kaart van Banjul