Alta en Baja Verapaz

Landschap in Baja Verapaz
Landschap in Baja Verapaz

Deze departementen liggen in het centrum van het land en vormen een overgangsgebied tussen het koele hoogland in het westen en het tropische Caribische gebied in het oosten. Hoewel er lokale verschillen zijn, heeft dit gebied een vochtig, warm klimaat met veel nevel en regen die het hele jaar door valt, hoewel iets minder in januari en februari. Vaak valt er motregen die door de inheemsen ‘chipi chipi’ genoemd wordt.

Het groene landschap wordt in Alta Verapaz gevormd door kalksteengebergte, de Sierra de Chamá, die typische tropische karstver-schijnselen vertoont. Omdat vele cañons geen natuurlijk afvoerkanaal hebben, wordt het water opgeslagen in talrijke tijdelijke en permanente meren. Rivieren stromen aan de oppervlakte, verdwijnen in de grond en komen vele kilometers verderop weer te voorschijn. De vegetatie bestaat uit dichte jungle in de vorm van nevelwouden met vele boomsoorten, bromelia’s en orchideeën, waaronder de nationale bloem, de Monja Blanca (witte non). Alta Verapaz wordt ook wel het paradijs genoemd, omdat het land enorm vruchtbaar is en er overvloedige oogsten zijn. Alta Verapaz omvat zowel koele bergdalen als warme laaglanden zodat er een grote verscheidenheid aan gewassen groeit zoals koffie, suiker, piment en kardemom.

Vanaf 1523 hadden de Spanjaarden gedurende 10 jaar de Indianen van de westelijke hooglanden bevochten en het gebied uiteindelijk veroverd. Er was echter nog één gebied dat nog niet onderworpen was en heftig tegenstand bood en daarom ‘Tezulutlán’ (land van oorlog) genoemd werd. Broeder Bartolomé de las Casas kreeg van de Spaanse koning vijf jaar de tijd om de inheemse Pokomam- en Kekchí-Indianen vreedzaam te bekeren. Dit lukte hem doordat hij de bijbel in de inheemse talen liet vertalen en een synthese tot stand bracht tussen het katholieke en het inheemse geloof. Deze vreedzame bekering is terug te vinden in de naam Verapaz, die ‘echte vrede’ betekent. Ook componeerde hij religieuze verzen in de Kekchí-taal, zette deze op muziek en leerde ze aan een paar handelaars, die regelmatig het ‘land van oorlog’ bezochten. Deze handelaars kregen allerlei Europese voorwerpen mee die ze tijdens het zingen aan de Indianen uitdeelden. Zo werd hun interesse gewekt en werden eerst de leiders van de Indianen bekeerd. De dominicanen gaven hun belangrijke posities in de kerk, zodat hun macht eerder toenam dan afnam. Het gewone volk zou dan wel in de bekering volgen. Op deze manier werden de cofradías (broederschappen) van de kerk gevormd uit de aristocratie. Deze bovenlaag heeft door overerving het leiderschap behouden.

De hoofdman van Chamelco, Matalbatz, werd nieuwsgierig naar de missionarissen die heel anders bleken te zijn dan de conquistadores. Zij gingen anders gekleed, droegen geen wapens en waren minder geïnteresseerd in kostbaarheden. Vanaf het moment dat de Las Casas een bezoek aan hem had gebracht, liet de inheemse bevolking zich vreedzaam bekeren; alleen de inheemse priesters boden tegenstand. De hoofdman van Chamelco werd Juan gedoopt en zijn eigen naam Matalbatz werd zijn achternaam. Het dorp waar hij woonde, werd later San Juan Chamelco genoemd.

Vanaf het midden van de 19e eeuw trokken Duitsers dit gebied binnen en begonnen met het cultiveren van het land voor de koffieteelt. Hierdoor ontstond het grootgrondbezit en op de finca’s begon men naast koffiebonen ook andere producten zoals kardemom, cacao en achiote, een voedingskleurstof, te verbouwen. Via de Río Polochic werden deze producten naar het Caribische gebied vervoerd en van daaruit werden ze geëxporteerd naar onder andere Europa.

Rijke families hebben vaak meerdere finca’s die al vele generaties in hun bezit zijn. De Duitsers van Alta Verapaz vormden altijd een besloten groep, waarbij de Duitse mannen vrouwen uit hun eigen land trouwden, Duits bleven spreken en het Duitse staatsburgerschap behielden. Velen waren in de jaren dertig van de 20e eeuw nazi-gezind, waardoor ze moesten vertrekken toen Guatemala in de Tweede Wereldoorlog de kant van de geallieerden koos. Hun finca’s werden overgenomen door de staat en deze ‘fincas nacionales’ nemen een groot deel van de nationale koffieproductie voor hun rekening.

Aan het eind van de jaren zestig werden in het noorden van Alta Verapaz vele kleine boeren verdreven, die vanuit het hoogland hier naartoe trokken. Er werd namelijk koper, nikkel en aardolie ontdekt. Vele generaals en politici maakten dit gebied tot hun eigendom, maar er is weinig infrastructuur aanwezig.

Ook Alta Verapaz is een gebied waar Indianen wonen, maar zij behoren tot de Kekchís en Pocomchís en spreken hun eigen talen. De kleding van de vrouwen bestaat uit een korte kantachtige huipil die met geborduurde bloemen versierd is en een wijde, geplooide rok die op de kuiten hangt. De rijkere vrouwen dragen zilveren sieraden. Vroeger droegen de vrouwen een ‘tupui’, een 10 meter lang rood wollen koord om het haar mee vast te binden. Dit koord stelde de koraalslang Ajtupui, de boodschapper van Tzuul-tacá, de god van de aarde, voor. Het wollen koord bindt de vlecht aan de achterkant op het hoofd, vervolgens loopt het koord naar het einde van de vlecht en wordt er dan zo dicht omheen gewonden, dat er geen haar meer te zien is. Van de twee losse, met kwasten versierde, uiteinden wordt een grote strik gemaakt en deze hangen op ongelijke hoogte bijna tot de zoom van de rok. De lussen van de strikken moeten ook ongelijk zijn. De moderne vrouw draagt deze tupui niet meer, omdat ze last heeft van het gewicht en de warmte van de wol voor haaruitval zorgt.

Vroeger droegen de mannen ook lang haar en gebruikten dezelfde tupui. De huipil is van ragfijn gaas en weegt bijna niets, terwijl de rok bijna 22 kilo weegt. De rok wordt bijeengehouden door een band om het middel, hangt bijna op de enkels en is gemaakt van blauwwitte jaspe-stof. Als het regent, wordt de rok in de tailleband gestopt.

De verering van de koraalslang laten de Pocomchís, die ook in Alta Verapaz wonen maar niet zo talrijk zijn als de Kekchís, nog duidelijker in hun kleding zien. Het rood vlamt op in de haardracht, de huipil, de rok en de sieraden. Het meest opvallend is de grote gedraaide rol van stof met haar erin, die gedragen wordt door getrouwde vrouwen uit Tamahú. De rode rok, die ook in Tactic gedragen wordt, draait als de vrouw loopt. De rok werd vroeger geverfd met cochenille, daarna werd in Engeland een rood garen gemaakt, dat ‘crea’ werd genoemd, en dat ook heel lang meeging. De kosten werden echter te hoog en de vrouwen dragen nu de indigorok van jaspe-stof uit Salcajá.

De toeristenorganisatie INGUAT probeert dit gebied flink te promoten door het ontwikkelen van informatiemateriaal en video’s. Vooral de bijzondere natuurlijke omgeving van deze regio komt daarbij naar voren. Het is bij uitstek een gebied voor ecotoerisme in de vorm van wandelexcursies, grotbezoeken en raften.

Van Guatemala Ciudad naar Cobán

Via de Calle Martí in zone 2 en de Belice-brug over een diepe cañon kom je op de Carretera al Atlántico, een goede tweebaansweg naar de Atlantische kust. Je passeert eerst een industriegebied en het landschap wordt steeds droger. Vervolgens loopt de weg parallel aan de spoorweg door het hete, droge dal van de Motagua-rivier. Het is een schaars bevolkt gebied met een droog landschap met cactussen en struikgewas, waartussen vee graast. Door irrigatie met water van de Río Motagua is er enige akkerbouw mogelijk. Ten noorden van dit dal ligt een grote bergrug: de Sierra de las Minas waardoor alle regen in Alta Verapaz valt. In het zuiden lopen lagere bergruggen: onder meer de Sierra del Merendón en de Sierra del Espíritu Santo langs de grens met Honduras en El Salvador.

Bij El Rancho is de kruising met de weg naar Cobán, waarbij een brug over de Río Motagua overgestoken moet worden. Hier zijn veel stalletjes met eten en drinken. Verderop in de stad bevindt zich het spoorwegstation aan de spoorweg naar Puerto Barrios.

Vanaf El Rancho stijgt de weg en verandert het landschap van droge heuvels in dichte bossen. Bij de kruising La Cumbre (de top) gaat een zijweg naar het westen richting Salamá en Rabinal. Het landschap doet hier aan de Alpen denken vanwege de glooiende heuvels met weiden. Bij La Cumbre kronkelt een zijweg via een steile helling naar beneden, het lange, vlakke dal van Salamá in.

Bestemmingen in Alta en Baja Verapaz

  • Cobán

    De Santo Domingo kathedraal in het centrum van Cobán
    Geschiedenis Cobán werd in 1538 door de Las Casas gesticht. Op last van koning Philips II werd de naam Tezulutlán (land van oorlog) veranderd in ‘Verapaz’ (echte...
  • El Biotopo del Quetzal

    Tropische vrucht in de Biotopo del Quetzal
    De hoofdweg naar Cobán kronkelt vanaf La Cumbre naar een vochtig warm gebied waar nevelwouden te vinden zijn. Ten zuiden van Purulhá ligt de beschermde biotoop (...
  • Lanquín

    Kekchi-vrouwen in Lanquín
    Dit kleine, rustige dorp met vooral Kekchí-inwoners, die in houten huizen wonen, ligt te midden van een landschap vol karstverschijnselen. De streek ligt op...

Kaart van Alta en Baja Verapaz