Antigua

Swipe

Antigua

Stadwandelingen

Hieronder volgen drie stadswandelingen waarin de belangrijkste monumenten van de stad opgenomen zijn. Deze wandelingen duren een halve tot een hele dag, afhankelijk van de hoeveelheid tijd die je doorbrengt op iedere plaats. In verband met reconstructiewerkzaamheden en restauraties kunnen monumenten of sommige gedeelten ervan gesloten zijn.

Antigua is een prettige stad om te verblijven vanwege de overzichtelijke grootte (ca. 40.000 inwoners) en de vele mogelijkheden die de stad en haar omgeving bieden. De stad heeft sfeer en is rustig. Er zijn echter wel veel toeristen, die vaak langere tijd in Antigua doorbrengen omdat zij een talencursus volgen. Vanwege het toerisme is de stad helaas niet meer echt veilig te noemen en zowel overdag als ‘s avonds dien je alert te zijn. Wandelen in de directe omgeving van de stad is beslist af te raden tenzij je met een groep op pad gaat. Het toeristenbureau geeft hierover goede adviezen.

De openingstijden van musea en gerestaureerde gebouwen zijn van 9.00-17.00 uur, behalve op maandag, met in het weekend een pauze van 12.00-14.00 uur. Voor toeristen is er een gecombineerd entreebiljet van Q10 waarmee 4 kerken/kloosters bezocht kunnen worden.

Stadswandeling 1 Stadswandeling 2 Stadswandeling 3

Geschiedenis

In het dal van Panchoy hebben de 3800 m hoge vulkanen Agua en Fuego drie hoofdsteden van Guatemala verwoest. Pedro de Alvarado had de eerste stad Santiago gesticht op de plaats waar nu het dorp Tecpán ligt. Hij moest hier echter snel vertrekken, omdat hij door het vijandige Cakchiquel-volk bedreigd werd.

De tweede hoofdstad Santiago de los Caballeros werd in 1527 gesticht in het Almolonga-dal aan de voet van de vulkaan Agua. De Indianen noemden deze plaats ‘Bulbuxya’ (waar het water uit de bergen stroomt). De naam Santiago van de hoofdstad heeft te maken met de beschermheilige van de Spanjaarden ‘San Jago’, die voorgesteld werd op een wit paard met een zwaard in de hand. Deze heilige beschermde de Spanjaarden tijdens hun veroveringingen in Latijns-Amerika.

Vlak voor de stichting van de stad was Pedro de Alvarado in 1526 naar Spanje gegaan om de beloningen in ontvangst te nemen voor de verovering van Guatemala en El Salvador. Hij verkreeg verschillende titels zoals gouverneur en kapitein-generaal van Guatemala en Adelantado (vergevorderde). Tevens trouwde hij een adellijke dame, Doña Francisca de la Cueva, met wie hij samen naar Guatemala terugging. Onderweg stierf zij in Mexico en zo kwam Alvarado alleen aan in een stad die inmiddels tot ontwikkeling gekomen was. Hier woonde de elite van burgerlijke functionarissen en geestelijken, die zichzelf enorm verrijkten. Zowel de Kerk als de Kroon maakte zich schuldig aan exploitatie van de omgeving van Antigua: 70 Indiaanse dorpen moesten belasting betalen, ook in de vorm van arbeid. Karel V schonk de stad in 1532 een wapenschild waarop San Jago te paard met een zwaard in de hand boven drie vulkaantoppen zweefde, waarvan de middelste tot uitbarsting kwam. De stad kende een grote bouwactiviteit; kerken, kloosters, herenhuizen, ziekenhuizen en scholen verrezen en in het centrum aan de plaza werd een paleis voor de gouverneur-generaal gebouwd. In de buitenwijken woonden de Mexicaanse Indianen die Alvarado bij zijn veroveringen behulpzaam geweest waren.

Toch had Alvarado zijn einddoel nog niet bereikt en hij trok naar Zuid-Amerika; daar verkocht hij uiteindelijk zijn leger aan Pizarro en hij reisde naar Spanje om te trouwen met de zus van zijn gestorven vrouw, Doña Beatriz de la Cueva. Met een groot gevolg keerden beiden naar Guatemala terug. Alvarado had echter nog meer plannen en vertrok naar Mexico, waar hij na een ongelukkige val in een dorpje op 24 juni 1541 om het leven kwam. Zijn 22-jarige vrouw werd hiervan pas drie maanden later op de hoogte gebracht en zij was zo ongelukkig dat zij zichzelf ‘La Sin Ventura’, de ongelukkige, noemde. Tevens liet ze in het kader van de rouw alle gebouwen in het zwart hullen. De inwoners van Santiago waren het hier niet mee eens en vreesden de toorn van God.

Op 6 september liet Doña Beatriz zich benoemen tot de eerste en enige vrouwelijke gouverneur-generaal van Guatemala. Haar regeringstijd was echter slechts van korte duur. Natuurrampen in de vorm van watermassa’s en aardbevingen troffen de stad, waarbij Doña Beatriz en haar vijfjarig dochtertje om het leven kwamen. De overlevenden van de ramp waren er zeker van dat Doña Beatriz dit noodlot over zichzelf afgeroepen had. Haar lichaam werd naast dat van haar man in de ruïne van de kathedraal begraven.

Tegenwoordig heet de plaats Ciudad Vieja en er is op dezelfde plek een nieuwe grote, stralend witte bisschopskerk gebouwd. In deze kerk staat het beeld van de ‘Virgen de la Concepción’ dat ‘La Chapetona’ (afkomstig uit Europa) wordt genoemd en waarschijnlijk uit de tijd van Doña Beatriz stamt. Schuin tegenover de kathedraal bevinden zich in de tuin van een school de resten van het paleis van Doña Beatriz in de vorm van een muur.

De derde hoofdstad werd anderhalf jaar later in 1543 in het nabijgelegen Panchoy-dal gesticht en zou dezelfde naam krijgen. Dit tweede Santiago de los Caballeros werd een belangrijk cultuurcentrum in de kolonie Nueva España en kon in menig opzicht wedijveren met Lima en Mexico. De architect Juan Bautista Antonelli kreeg de opdracht een plattegrond voor de nieuwe hoofdstad te ontwerpen; het was dan ook de eerste hoofdstad in Amerika die van tevoren helemaal op papier stond. Meestal was een Indiaans dorp het uitgangspunt. Antonelli legde de stad aan tussen een paar riviertjes, die de stad genoeg water zouden leveren. De straten zijn gerangschikt volgens een soort schaakbordpatroon waarbij ze vanuit het centrum noord-zuid en west-oost lopen. De grote Avenidas zijn vaak zo aangelegd dat je uitzicht hebt op de vulkaan Agua. Door de vele aardbevingen duurde de totale ontwikkeling van de stad zo’n 230 jaar. In 1566 kreeg de stad van Philips II een adellijke titel: ‘La Muy Noble y Muy Leal Ciudad de Santiago de los Caballeros de Goathemala’ (De meest edele en trouwe stad van Santiago van de edelen van Guatemala).

Er kwamen steeds meer kerken en kloosters van verschillende ordes die ook steeds rijker werden. De stad kende beroemde inwoners zoals de grote beschermer van de Indianen, Bartolomé de las Casas; de stichter van de eerste school, Francisco Marroquin; de dichter Rafael Landívar en de kroniekschrijver Francisco Antonio de Fuentes y Guzmán. In 1660 verscheen een drukpers en de eerste krant kwam uit in 1729. Inmiddels was de Universiteit van San Carlos in 1681 gesticht.

Men denkt dat rond 1700 de bevolking van Antigua gegroeid was tot 70.000 inwoners. Ondanks het feit dat Antigua een cultureel centrum was en de rijkdom toenam, kende de stad vele woelige periodes. Steeds meer ging de Kerk zich bezighouden met verrijking en groeide de concurrentie tussen de verschillende katholieke ordes. Met de toestand van de armen hielden zich nog maar enkelen bezig. Steeds meer kooplieden die uit Spaanse families in Guatemala geboren waren, ergerden zich aan de privileges van de criollos, die in Spanje geboren waren en de bovenlaag van de bevolking vormden. Er ontstond politieke onrust en het natuurgeweld in de vorm van droogte, aardbevingen en uitbarstingen van de vulkaan Fuego maakte de situatie niet eenvoudiger. De rampen bleven zich opstapelen waarbij het getal vier magische vormen aannam: viermaal werd de stad overstroomd; viermaal werd zij bedekt met lavastromen en asregens uit de vulkaan Fuego en viermaal teisterde de pest de stad.

Duizenden gebouwen overleefden de aarbeving van 1717 niet, maar toch telde de stad in 1733 zo’n 80.000 inwoners. In dat jaar bleven aardbevingen aanhouden en legde een forse aardschok de stad grotendeels in puin. In deze ruïnestad ging de strijd om de macht echter gewoon door. De katholieke ordes en de aartsbisschop wilden er blijven wonen, terwijl de gouverneur een nieuwe hoofdstad elders wilde stichten. Hij verplaatste de regering dan ook in 1773 naar het nabijgelegen Ermita-dal en in 1775 moest iedereen de stad officieel verlaten. De katholieke geestelijkheid was echter al met de wederopbouw begonnen. Toen de koning in 1775 instemde met de verplaatsing van de hoofdstad moesten de ordes hun strijd opgeven. Op 2 januari 1776 werd de vierde hoofdstad ‘La Nueva Goathemala De Asunción’ gesticht. Uit de oude stad werden vele objecten waaronder kunstvoorwerpen naar de nieuwe stad meegenomen.

Enkele koppige inwoners bleven achter en profiteerden van de opleving van de productie van cochenille, een rode verfstof die gemaakt wordt van de schildluis, die zich door middel van een gekweekte cactus voedt. Een nieuwe groei van de stad ontstond aan het einde van de 19e eeuw toen er op grote schaal de koffiecultuur tot bloei kwam. In de 20e eeuw werd de stad door velen La Antigua (de oude) genoemd en dit werd uiteindelijk de nieuwe naam van de stad. Deze bezit een vijftigtal fraaie ruïnes van kloosters en kerken, waarvan een aantal gerestaureerd werd evenals enige huizen. Zij vormen een fraai monument dat de koloniale tijd doet herleven. Op 7 juli 1965 werd Antigua een beschermd monument en kreeg het de naam: ‘Ciudad Monumento de América’.

Rondreizen

Groepsrondreis Guatemala

Tijdens deze avontuurlijke rondreis door Guatemala ontdek je de prachtige, ongerepte natuur, de kleurrijke inwoners en de oude koloniale gebouwen. We brengen...

v.a. 2129.00 p.p.

10 prachtige bestemmingen in Antigua en Guatemala