De Noorse economie

Zalmkweek bij Arstein
Zalmkweek bij Arstein

Noorwegen: het Saoedi-Arabië van het noorden

De ontdekking van aardolie en -gas in het continentale plat in 1969 betekende een revolutie voor Noorwegen. Phillips Petroleum vond dat jaar het grote Ekofiskveld in de Noordzee, waar zich een enorme aardolievoorraad bevond. Noorwegen ontwikkelde zich tot het Saoedi-Arabië van het noorden.

Het land heeft ongeveer de helft van de olie- en gasreserves in West-Europa. Waarschijnlijk is pas minder dan één derde van de voorraden aangeboord. De olie- en gasreserves bevinden zich hoofdzakelijk offshore. Inmiddels is de olie- en gasbranche met bijna een kwart van het bruto binnenlands product de omvangrijkste industrie van het land. Olie en gas domineren de Noorse export. Het land behoort tot de grootste olie-exporteurs ter wereld; alleen Saoedi-Arabië en Rusland voeren meer uit. De VS, Duitsland, Groot-Brittannië, Frankrijk en Nederland zijn de voornaamste importeurs van Noorse olie en Noors gas.

Bijna 100.000 mensen werken direct in de olie- en gassector, en nog eens 200.000 in de toeleverende industrie. Tweejaarlijks organiseert men in de oliestad Stavanger een grote tentoonstelling en conferentie over de offshore-industrie: Offshore Northern Sea.

De Noren hebben in 1990 een aardoliefonds opgericht, waarin de regering opbrengsten van de offshore-industrie stort. Dit fonds behoort tot de grootste ter wereld en is bedoeld voor het opvangen van de kosten van de vergrijzing in het land, als reserve voor eventuele begrotingstekorten en als buffer voor tijden waarin de fossiele brandstoffen op zijn. Door de aardolie en -gaswinning is Noorwegen een zeer rijk land geworden. Ook de geografische ligging ten opzichte van het welvarende West-Europa, de hoge graad van industrialisering en het hoge opleidingsniveau spelen hierbij een rol.

De Noorse economie: meer dan aardolie en -gas alleen

Aardolie en -gas zijn niet de enige hulpbronnen. De winning van ertsen, de visserij, de houtwinning en waterkrachtcentrales dragen ook bij aan de Noorse welvaart.

Huishoudens gebruiken bijna allemaal elektriciteit van waterkrachtcentrales. Op tal van plaatsen bevinden zich hydro-elektrische centrales. Water is gratis en in overvloedige hoeveelheden aanwezig. Toch is het opwekken van hydro-elektriciteit niet zonder problemen. De wisselende neerslaghoeveelheden bedreigen de continue levering van hydro-elektriciteit. Milieuproblemen liggen op de loer. Weinig rivieren kunnen nog verder worden ingedamd zonder dat dit problemen oplevert.

Elektriciteit wordt ook geëxporteerd. Noorwegen gebruikt meer energie dan het zelf met waterkrachtcentrales produceert. De elektriciteitsprijzen zijn laag, waardoor bedrijven niet snel gemotiveerd zijn te zoeken naar alternatieve energiebronnen.Noorwegen wil windmolenparken aanleggen en het gebruik van bio-energie bevorderen. Zo verwarmt men de luchthaven Oslo-Gardermoen geheel met biobrandstoffen.

Naast fossiele brandstoffen is Noorwegen ook rijk aan ertsen, zoals aluminium, magnesium, ijzer, zink, nikkel en koper. Het land produceert onder andere ijzerlegeringen en aluminium halffabrikaten. Eén van de grootste aluminiumproducenten is het bedrijf Norsk Hydro met wereldwijd ruim 25.000 werknemers. De onderneming begon met een kunstmestfabriek in Notodden in 1905 en een jaar later met de bouw van een waterkrachtcentrale in Rjukan, toen de grootste ter wereld.

Land- en bosbouw in Noorwegen

In het begin van de 19e eeuw was Noorwegen één van de armste landen in Europa. Tussen 1860 en 1940 emigreerden meer dan een miljoen Noren naar Noord-Amerika, omdat er te weinig banen waren of omdat mensen te weinig verdienden om van rond te komen. Hieronder bevonden zich veel kleine pachters.

Visserij en landbouw domineerden de economie in de 19e eeuw. Landbouwgronden waren schaars, onvruchtbare woeste gronden en bergen overheersten. Tegenwoordig telt het land circa 58.000 boeren. De Noren koesteren hun boeren, want ze houden het platteland ‘levendig’ en zorgen voor enige economische activiteiten.

De overheid beschermt de landbouw en voedingsmiddelenindustrie sterk tegen buitenlandse concurrentie. De eigen agrarische productie is verre van voldoende om te voorzien in eigen behoeften. Er is relatief weinig landbouwareaal en de transportkosten zijn hoog. Het land importeert voornamelijk sierteeltproducten, groenten, fruit, graanproducten, fruit, zetmeel, noten en specerijen. Noorwegen voert vooral vis, hout, kurk en vetten uit.

De uitgestrekte bossen in Noorwegen zijn de basis voor de houtproductie, pulp- en papierindustrie, waarmee het land zich een naam in de wereld verwierf. Noorwegen telt ongeveer 200 moderne geautomatiseerde zagerijen, die gevestigd zijn buiten de steden en waar ruim 5000 mensen werken. 80% van het gekapte hout komt van naaldbomen, de rest is loofhout. Noorse bossen groeien langzaam vanwege de noordelijke ligging. Duurzaam beheer van de bossen heeft daarom grote aandacht.

Visserij in Noorwegen

De meeste vissers in de 19e eeuw waren klein georganiseerd en visten met lijn en haak. De modernisering kwam pas laat – na 1880 – op gang, de Nederlandse en Britse vissers lagen ver voor op hun Noorse collega’s. Handelaren in de grotere steden hadden een exportmonopolie op visproducten en dat hield modernisering lang tegen.

Tegenwoordig is de Noorse visserij een moderne technologisch goedgeoriënteerde sector. Meer dan 30.000 mensen werken in de visserij, visverwerking en de viskwekerijen. Het is één van de grootste exportsectoren van het land. Veel vissoorten die Noorse vissers vangen, hebben te maken met achteruitgang van populaties en vangstbeperkingen. Tot de meest gevangen vis behoren kabeljauw, makreel en haring.

In de jaren zeventig is de viskwekerij opgekomen. Aanvankelijk kampten de viskwekers met forse problemen, zoals overproductie, visziekten, overdadige algengroei en concurrentie uit Schotland en Chili. Vooral zalm en forel waren in het begin populair, nu komen daar nieuwe soorten bij als paling, heilbot en tong. Bovendien experimenteert men met de kweek van de sterk bedreigde kabeljauw. Tweejaarlijks vindt in Trondheim een grote internationale beurs plaats over de visserij en vishandel: Nor-Fishing.

Noorse walvisvangst

Noowegen heeft ook een traditie op het gebied van de walvisvangst. Scheepsmagnaat Chr. Christensen uit Sandefjord ontdekte dat het lucratief was om bij Antarctica walvissen te vangen, op het noordelijk halfrond waren de meeste soorten weggevangen. De Noren gingen massaal op walvissen jagen.

Op het eiland South Georgia kwam een groot walvisverwerkend station (Grytvken). In de jaren twintig produceerde Noorwegen meer dan de helft van de wereldproductie van traan en walvisvet. De walvissen werden door de jacht ook in de zuidelijke Atlantische Oceaan zeldzaam en de walvisvangst stopte in de jaren zestig.

Sinds de jaren dertig vangen Noorse vissers kleine vinvissen in de omgeving van de Noorse kust. Ondanks internationale afspraken, gemaakt in de International Whaling Commission (IWC), staat Noorwegen toe dat vissers kleine vinvissen bejagen. Gemiddeld vangen Noorse vissers 500-600 kleine vinvissen. Dit gebeurt hoofdzakelijk door vissers van de Lofoten met kleine boten tot 300 ton met een bereik van enkele honderden kilometers. De gevangen walvissen worden aan boord geflensd en ingevroren. Op het eiland Skrova verwerkt men de meeste walvissen. De walvisjacht levert de vissers voornamelijk neveninkomsten op. Walvisproducten worden uitgevoerd naar IJsland, de Færøer en Japan.

De Noren verdedigen hun recht op het bejagen van kleine vinvissen fel met het argument dat er sprake is van traditie.

De Noorse handelsvloot

Een andere belangrijke sector in Noorwegen is de handelsvloot. Dit is een sterke economische traditie van de Noren, die al in de 19e eeuw een grote handelsvloot hadden. Halverwege die eeuw was Noorwegen al de derde grootste scheepshandelsnatie ter wereld, na Groot-Brittannië en de VS. Het wemelde er van de joint ventures, waarbij schepen verschillende eigenaren hadden. De lonen van de zeelieden waren destijds laag en de vaaromstandigheden slecht.

Het is niet vreemd dat het een scheepsmagnaat was, Christian Michelsen uit Bergen, die Noorwegen als premier naar onafhankelijkheid leidde in 1905. Hij was rijk geworden door zijn eigen vloot en de overgang van zeilkracht naar stoomkracht te maken.

Noorwegen behoort tot de top vijf van naties in de wereld met de grootste vloot. Na de offshore-industrie is de scheepvaartindustrie de grootste industrie van het land. In veel kustplaatsen vindt men scheepswerven, maritieme fabrieken of winkels die scheepsbenodigdheden verkopen.

Meer informatie:
www.evd.nl; www.minlnv.nl.
Elio Pelzers. Noorwegen succesvol en ongetemd. AO-reeks 2964. (2011).