Het land

Geografie

Servië heeft een oppervlakte van ongeveer 77.500 km2 en is daarmee bijna twee keer zo groot als Nederland (41.500 km2) en meer dan dubbel zo groot als België (30.500 km2). Het land heeft geen kustlijn, maar wel veel buurlanden. In het noorden grenst Servië aan Hongarije en als we om Servië heen reizen komen we daarna met de klok mee Roemenië, Bulgarije, Macedonië, Kosovo, Montenegro, Bosnië en Herzegovina en Kroatië tegen.

De meeste van die landen hoorden in de jaren negentig van de vorige eeuw nog tot dezelfde staat als Servië. Kosovo scheidde zich pas in februari 2008 af en vanuit Servisch perspectief is het nog steeds onderdeel van het land. 

Geografisch gezien ligt Servië op de grens tussen Midden-Europa en Zuidoost-Europa. De Vojvodina beslaat de noordelijkste dertig procent van het land. Het hoort tot de Pannonische laagvlakte, die zich verder over bijna heel Hongarije, de oostelijke helft van Kroatië en stukjes van Slowakije, Roemenië en Oekraïne uitstrekt. Het meest oostelijke puntje van Servië behoort tot de Walachijse vlakte (Beneden Donauvlakte), die verder het zuiden van Roemenië en het noorden van Bulgarije beslaat. Aan de noordoostgrens beginnen de uitlopers van de Karpaten, die als een soort banaan om de Pannonische laagvlakte liggen en bijna heel Midden-Europa beslaan. Naar het zuiden gaan de Karpaten over in Stara Planina, een bergrug die van oost naar west dwars door Bulgarije loopt en ook wel het Balkangebergte genoemd wordt. Meer naar het Westen liggen de Dinarische Alpen waar onder andere de bergruggen Tara, Zlatibor en Kopaonik toe behoren. De Dinarische Alpen zijn de zuidoostelijke voortzetting van de echte Alpen en beslaan het noordwesten van Kroatië, een groot deel van Bosnië en Herzegovina, Montenegro en Albanië.

Zowel de Dinarische Alpen in het zuidwesten als Stara Planina en de Karpaten in het oosten bestaan grotendeels uit kalksteen. Dat gesteente is in de geologische tijdvakken Trias, Jura en Krijt (200 tot 65 miljoen jaar geleden) op de toenmalige zeebodem ontstaan als honderden meters dikke pakketten afzettingen van de kalkhoudende skeletten van ontelbare zeedieren en -diertjes. In het Tertiair (van 65 tot 2 miljoen jaar geleden) ontstonden de Alpen en alle andere hoge gebergteketens van de wereld. Centraal in die bergketens kwam oorspronkelijke aardkorst (graniet) omhoog en de daarop liggende lagen kalksteen werden weggeschoven en afgevoerd door gletsjers en rivieren. In de lagere gebieden werden de kalksteenlagen omhoog geperst maar bleven wel aan de oppervlakte liggen.

Veel soorten kalksteen zijn keihard (denk aan marmer) en goed bestand tegen erosie. Maar kalksteen wordt langzaam opgelost door water; rivieren hebben spectaculaire kloven in het gebergte uitgeslepen, omringd door indrukwekkende, steile rotspartijen. Vanuit menselijk standpunt bezien heeft kalksteen voor- en nadelen. De kalk is een belangrijke voedingsstof voor planten, maar je moet er niet te veel van hebben. De flora van kalksteenbodem en -rotsen is bijzonder veelvormig en interessant. Al deze planten hebben aanpassingen om met de overmaat aan kalk om te gaan. Naast orchideeën voelen veel kruidige en aromatisch planten zich erg goed thuis op kalk. Verder vormt kalksteen via verwering een vruchtbaar soort (meestal rode) aarde, die geschikt voor landbouw is. Nadeel van kalkrotsen is hun sterke doorlaatbaarheid voor water. Hierdoor wordt een groot deel van het regenwater ondergronds afgevoerd, zonder aan de teelt van gewassen ten goede te komen. Het water dat wel in de vorm van rivieren oppervlakkig afstroomt vormt kloven, en er ontstaan dus weinig zacht glooiende, van water voorziene landbouwgronden. Daar, waar vrijwel al het regenwater door de kalksteen heen de grond in sijpelt ontstaat een karstlandschap.

Het overgrote deel van Servië ligt in het stroomgebied van de Donau. De belangrijkste zijrivieren zijn de Sava, de Morava en de Tisa. De Drina, die langs de Servisch-Bosnische grens stroomt komt uit in de Sava. Uiteindelijk mondt de Donau ten oosten van Boekarest uit in de Zwarte Zee. Alleen het uiterste zuiden van het land behoort tot een ander stroomgebied. De Pwinja en Lepenac komen uit in de Vardar in Macedonië en de Dragovištica mondt uit in de Struma in Bulgarije. Beide rivieren stromen naar de Egeïsche Zee. Sinds de afscheiding van Montenegro en Kosovo stromen geen rivieren in Servië meer richting de Adriatische Zee.

Onderwerpen

  • Bodem en landgebruik

    Prachtige landschappen
    Van de ongeveer 7,5 miljoen inwoners woont ongeveer een vijfde in de stad Belgrado. De rest van de bevolking is relatief regelmatig over het land verdeeld,...
  • Taal

    Cyrillus en Methodius
    In Servië spreekt men Servisch. Het Servisch onderscheidt zich van het Kroatisch, zoals het Nederlands van het Vlaams: de taal is hetzelfde, maar er zijn...