Geschiedenis

Spanjes Gouden Eeuw

Dat het noorden van het Iberisch Schiereiland de bakermat is van de West-Europese beschaving, is te zien in Altamira, een stadje ten zuidwesten van Santander. Daar bevinden zich grotschilderingen die 15- tot 20-duizend jaar oud zijn.

Vanaf de twaalfde eeuw v.Chr. vestigden stammen uit Afrika en het vasteland van Europa zich op het Iberisch Schiereiland. Onder hen de Carthagers die de legendarische kolonie Carthago Nova stichtten, dicht bij het huidige Alicante. Van daaruit ondernam Hannibal in het jaar 220 zijn historische aanval op Italië.

Het christendom bereikte het schiereiland in de 6e eeuw met de komst van de Visigoten die Toledo tot hoofdstad uitriepen van hun Reino Visigodo, het Visigotische Rijk.

La Edat Media, de Spaanse middeleeuwen, stonden in het teken van de bezetting van het Iberisch Schiereiland door de Moren in 711. In 1492 moesten de islamieten met de val van de stadstaat Granada hun laatste bolwerk in Europa prijsgeven. De verdrijving van de Moren staat bekend als de Reconquista, de ‘Herovering’.

De zestiende eeuw was Spanjes Siglo de Oro, de Gouden Eeuw. Het begon in 1517 met de bestijging van de troon door de 17-jarige Karel. Hij was de zoon van Filips el Hermoso en Juana la Loca, in de Nederlandse geschiedenisboekjes bekend als Filips de Schone en Johanna de Waanzinnige.

De jonge Spaanse koning erfde later het Heilige Roomse Rijk van zijn Habsburgse grootvader Maximiliaan. Buiten Spanje werd koning Karel bekend als keizer Karel V, waarvan onze eigen Erasmus lange tijd leermeester is geweest. Karel V regeerde Spanje van 1519 tot 1556.

De verovering door Spanje van grote delen van Amerika in de 15e en 16e eeuw was in zeker opzicht een voortzetting van de Reconquista. Naast de wens het christendom uit te dragen, waren macht en hebzucht de belangrijkste drijfveren.

Een voorbeeld van dat laatste was het beruchte Edict van Alhambra van 1492. In het moederland Spanje werden Joden die zich niet tot het christendom wilden bekeren, van al hun bezittingen ontdaan en in het gunstigste geval het land uitgezet. Zes eeuwen later, om precies te zijn in 2012, bood de Spaanse regering hiervoor alsnog haar excuses aan.

De koloniën werden niet alleen geplunderd. Inheemse beschavingen met een rijkere cultuur dan de Spaanse, zoals van de Maya's, Inca's en Azteken, gingen kansloos ten onder. Er ontstond een levendige slavenhandel: miljoenen negers werden door de Spanjaarden van West-Afrika naar de andere kant van de oceaan gebracht. Ook honderdduizenden indianen verwisselden van continent.

In het noorden van het Spaanse imperium won het Lutheranisme intussen sterk aan invloed. De kerkscheuring die daardoor ontstond, dwong Karel V in 1556 de macht aan zijn zoon Filips II over te dragen.

Die onderstreepte die macht door buiten Madrid het kolossale El Escorial te bouwen. Dit Spaanse ‘Versailles’ werd het kloppend hart van het Imperio Espanol, het Spaanse wereldrijk. Van hieruit bestuurde Filips II, die zichzelf zag als een ‘werktuig Gods’, zijn wereldrijk.

De ‘kluizenaarskoning’ zoals hij spottend werd genoemd, vervreemde van de werkelijkheid. Hij tekende zijn decreten met het alleszeggende ‘Yo El Rey’ (Ik, de koning). Om vervolgens weer in retraite te gaan in een van de ontelbare vertrekken van zijn paleis, omgeven door de hallucinerende werken van zijn favoriete schilder Jeroen Bosch.

Einde van een wereldmacht

Die alledaagse werkelijkheid was bepaald niet rooskleurig. Door de voortdurende aanvallen van Engelse en Hollandse kapers op de Spaanse zilvervloot, kwam de bodem van de schatkist in zicht. Als eerste staatshoofd in de geschiedenis zag Filips II zich gedwongen geld te lenen bij bankiers.

Ondanks dat zond Filips II in 1588 de ‘Escuadra Invencible’ uit, de onoverwinnelijk geachte vloot die Engeland moest veroveren en te bekeren. Na de desastreuze Spaanse nederlaag sprak de koning pathetisch het faillissement van het land uit - tot op heden een unicum in de wereldgeschiedenis.

Begin achttiende eeuw kwam er een belangrijke ommekeer in de geschiedenis van Spanje. Na de dood van Karel II in 1700, eiste Frankrijk de Spaanse troon op. Daarmee kwam de onafhankelijkheid van het land in gevaar.

Door de Frans-Engelse tegenstellingen kwam Madrid in de 18e eeuw opnieuw tegenover Engeland te staan. Maar ook dit keer kwamen de Spanjaarden van een koude kermis thuis: een gecombineerde Frans-Spaans-Bataafse vloot werd tijdens de historische Batalla de Trafalgar in 1805 door Nelson de grond in geboord.

Het bericht over de nederlaag kwam bij de trotse Spanjaarden hard aan en mondde uit in een volksoproer. Die werd door de Franse troepen op 2 mei 1808 in Aranjuez, een stadje ten zuiden van Madrid, bloedig onderdrukt. Deze ‘Dos de Mayo’ staat in de Spaanse geschiedenis te boek als het begin van de Spaanse Onafhankelijkheidsoorlog, de Guerra de la Independentia Española.

In deze oorlog speelde Prins Willem II van Oranje een memorabele rol. Vechtend aan de kant van de Engelsen maakte hij een eind aan de plundering van Badajoz door de Fransen. Tijdens de slag om Salamanca trad hij op als verbindingsofficier van de beroemde Engelse bevelhebber Wellington die enkele jaren later de Fransen bij Waterloo (18 juni 1815) zou verslaan.

De laatste historische veldslag tijdens de Spaanse Onafhankelijkheidsoorlog vond plaats bij Vitoria in Baskenland op 21 juni 1813. Een Spaanse troepenmacht werkte Napoleon daar definitief het land uit. Spanje had zijn onafhankelijkheid terug, maar het bleef politiek stuurloos achter.