Staatkundig

Tot de dood van Franco in 1975 kende Spanje uitsluitend monarchistische en republikeinse dictaturen. Het land heeft slechts in de jaren dertig van de vorige eeuw een kort politiek pluriform intermezzo gekend.

Parlementaire democratie

In 1977 kreeg Spanje als laatste West-Europees land een democratische constitucion (grondwet). Deze legde de wetgevende en controlerende macht bij het parlement en waarborgde vrije verkiezingen.

Het Spaanse parlement, de Cortes Generalis, wordt gekozen voor een periode van vier jaar en bestaat uit twee kamers: het Congreso de los Dipotados (Congres van Afgevaardigden) telt 350 leden; de Senado (Senaat) 208 leden.

Daarnaast hebben in de senaat nog 49 senatoren zitting die door de provincies worden aangewezen.

Naast de wetgevende macht van het parlement kent Spanje ook het wetgevend referendum. Zowel regering en parlement als belangengroeperingen kunnen om een referendum verzoeken. Daarvoor zijn tenminste 500 duizend handtekeningen nodig.

Het koningshuis, geliefd en omstreden

Terwijl de Noord-Europese vorstenhuizen al slijtplekken vertoonden, blies koning Juan Carlos de Bourbon y Bourbon I in 1975 de Spaanse monarchie nieuw leven in.

Zijn Amerikaanse stijl van presenteren en zijn snelle en persoonlijk ingrijpen tijdens de rechtse coupepoging in februari 1981, leverde hem in Spanje en ver daarbuiten een ongekend prestige op. Ondanks zijn wat ongelukkige start als protegé van Franco. 

De populariteit van het Spaanse koningshuis is de laatste decennia echter tanende. Een buitenechtelijke affaire van de koning en een van miljoenenfraude beschuldigde schoonzoon (waarbij koningsdochter Cristina een omstreden rol speelde die haar ook in de beklaagdenbank deed belanden) waren nog daar aan toe. Maar dat de koning in 2012 op olifantenjacht ging in Botswana viel zowel in als buiten Spanje verkeerd.

Het kostte Juan Carlos zijn erevoorzitterschap van de Spaanse afdeling van het Wereld Natuur Fonds. In 2004 en 2006 was hij al eerder bekritiseerd vanwege deelname aan bloederige berenjachten in Roemenië en Rusland.

Om toch nog iets van zijn gehavende imago te redden, bood hij openlijk zijn excuses aan aan het Spaanse volk en verwijderde en passant alle sporen van zijn in opspraak geraakte schoonzoon van de koninkolijke website.

Dat kon niet voorkomen dat de latent aanwezige republikeinse stroming in Spanje (naar schatting eenderde van de bevolking) de wind in de zeilen kreeg. Toen de koning, 76 en slecht ter been, in juni 2014 aftrad en zijn 46 jarige zoon Felipe als opvolger naar voren schoof, stak er een storm van protest op.  

Vooral in Madrid, Barcelona en Bilbao was het !No Más Reyes! (Geen koning meer) niet van de lucht. Maar de international geörienteerde en sobere Felipe VI beloofde in een lange toespraak bij zijn aantreden de morele grondslag van de monarchie te zullen herstellen. Zijn benoeming tot staatshoofd steunde op een ruime meerderheid in het Spaanse parlement: 299 van de 350 parlementariërs - van zowel de conservatieve regeringspartij als de socialistische oppositie - stemden voor. 

Op 19 juni 2014 klonk op het volgestroomde Plaza de la Almeria, het plein voor het Palacio Real, het koninklijk paleis van Madrid, ondanks alles een hoopvol !Viva El Rey! (Leven de koning).

Regio's en provincies

Spanje is een koninkrijk. Maar wel een dat uit 17 autonome republieken bestaat. In de grondwet van 1978 is het recht op beperkt zelfbestuur van de regio’s vastgelegd. Deze Communidades Autonomas zijn elk door een eigen statuut met Madrid verbonden.

Daardoor heeft de ene regio meer autonomie dan de andere. De twee republieken met de meest vergaande vorm van zelfbestuur zijn Catalonië en Baskenland. Alle republieken hebben een eigen parlement en minister-president en zijn zelf verantwoordelijk voor zaken als cultuur, onderwijs, gezondheidszorg en sociale zaken.

De republieken bestaan op hun beurt uit provincies met een eigen bestuur (diputacion provincial) met aan het hoofd een gouverneur. In totaal telt Spanje 52 provincies. De meeste dragen de naam van de provinciehoofdstad, behalve in Baskenland, Navarre en de Balearen. 47 provincies bevinden zich op het vasteland; de rest wordt gevormd door de Balearen (1 provincie) en de Canarische Eilanden (2).

Het statuut dat het zelfbestuur regelt is in Baskenland en Catalonië altijd omstreden geweest. In Baskenland resulteerde dat in gewapend verzet. Ondanks dat beide regio's zich het meest naar eigen inzicht hebben kunnen ontwikkelen en hun regionale talen hebben zien erkend door Madrid. In Catalonië bijvoorbeeld hoeven kinderen pas op hun 9de Spaans (Castiliaans) te leren. Tot die tijd wordt op school uitsluitend het Catalaans onderwezen.

In januari 2011 kondigde Euskadi Ta Askatasuna, de Baskische afscheidingsbeweging ETA, officieel aan de wapens te zullen neerleggen en de strijd voor onafhankelijkheid alleen nog maar met politieke middelen te zullen voeren.

Sindsdien halen regionale politieke partijen in zowel Baskenland als Catalonië alles uit de kast om hun achterban tegen Madrid te mobiliseren en hen de worst van onafhankelijke staat binnen de EU voor te houden.

Binnen dat kader trokken in september 2012 de anders zo verdeelde Catalaanse politieke partijen gezamenlijk op en betoogden meer dan 1 miljoen mensen in Barcelona voor onafhankelijkheid. In januari 2014 stemde het regionale parlement van Catalonië met ruime meerderheid voor het houden van een referendum over onafhankelijkheid. Madrid wilde daar echter niets van weten en het Spaanse Constitutionele hof verklaarde een dergelijk regional referendum ongrondwettelijk.

Hoe gevoelig de zaak politiek ligt bleek in september 2014 toen de bekende Catalaanse schrijver Albert Sánchez Piñol de Nederlandse vertaling van zijn historische roman over de val van Barcelona in 1714 in het Cervantes Instituut in Utrecht wilde presenteren. De lange arm van het ministerie van Cultuur in Madrid - broodheer van het instituut - stak daar een stokje voor.

Ondanks dat alles organiseerde de Catalaanse regering op 9 november 2014 een 'referendum'. Van de 5,5 miljoen stemgerechtigden kwam minder dan de helft opdagen. Daarvan sprak 80% zich uit voor een onafhankelijk Catalonië binnen de Europese Unie. De Spaanse regering noemde de volksraadpleging een propagandastunt zonder waarde.