Flora en fauna

Edelweiss, steeds zeldzamer
Edelweiss, steeds zeldzamer

Flora

Het is nauwelijks te bevatten hoe het mogelijk is dat de Oostenrijkse flora zo uitbundig is. Een bloeiende alpenweide doet vanwege de vele kleuren bijna pijn aan de ogen. Ongeacht in welk jaargetijde Tirol en Vorarlberg bezocht worden, er bloeien bloemen tot op zeer grote hoogte, waar mossen de op het oog kale bergen rood, oranje en geel kleuren. Edelweiss en alpenrozen, bekend uit vele Oostenrijkse schlagers zijn niet in de eerste plaats de bloemen die gezocht worden. Alpenrozen vindt je volop tegen de berghellingen, met edelweiss ligt dat wat moeilijker, de bloem wordt zeldzamer en zeldzamer en je moet al veel geluk hebben wil je de karakteristieke bloem op een bergwandeling opmerken. Vaak vindt je de bloem dan weer wel op je hotelkamer, maar ja, je hebt wilde en tamme edelweiss.

De meeste bloemen in Oostenrijk zijn beschermd, je mag ze dus niet plukken en als je de verleiding toch niet kunt weerstaan is de teleurstelling vaak groot. Voordat de wandeling beëindigd is, is de bloem, die normaal gesproken nog weken in bloei zou hebben gestaan als je er afgebleven was, al verdord. Bovendien moet je wel weten wat je plukt, als de bloem in kwestie al niet beschermd is, kan deze giftig zijn, sommige zelfs zeer giftig. Het loont de moeite om bij de lokale toeristenorganisatie een boekje of vouwblad te halen waarin de bloemen, bomen en dieren die je op je wandeling kunt tegenkomen beschreven zijn. De informatie is vaak zeer uitgebreid, er zijn afbeeldingen en het geeft je de mogelijkheid om ten volle te genieten van de natuur. Van de hoog opgaande hardgele boterbloem op de alpenweiden tot de hemelsblauwe stengelloze gentiaan hoog in de bergen, ze zijn allemaal interessant als je je er een klein beetje in wilt verdiepen.

In de bergen houdt de groei van bomen, naarmate je hoger komt, op. We noemen dat de boomgrens en je vindt deze op een hoogte van 1600 tot 2000 meter. De boomgrens vorm geen kaarsrechte lijn maar is vaak zeer grillig, afhankelijk van de plaats waar de bomen groeien. Staan ze op een beschutte plaats dan groeien ze hogerop dan wanneer ze vol in de wind op een open vlakte staan. Bovendien houdt de bomengroei niet abrupt op, de bomen worden struiken, de struiken gaan uiteindelijk over is grassen en daarna in mossen, maar dan ben je al aardig omhoog gegaan. Elke vegetatiezone heeft z’n eigen aardig- en eigenaardigheden. De belangstelling ervoor hoeft niet eens diepgaand te zijn om er een boeiend tijdverdrijf aan over te houden. In de dalen kun je soms geweldige eiken- en beukenbossen met alle planten en dieren die daarin thuis horen bekijken, wat hogerop gaat de begroeiing over in naaldbomen. Boven de 1000 meter vindt je nog uitsluitend sparren, nog hoger groeit de lariks en de alpenpijnboom vormt ongeveer de top van het bomenbestand.

Fauna

Op de grond vindt je tal van dieren, meest van Midden-Europese origine. Zo zal het eenvoudig zijn om reeën te ontdekken en vossen, eekhoorns, hazen en dassen. Meer karakteristiek voor Tirol en Vorarlberg zijn de gemzen, geweldige springers en zeer bedreven in het beklimmen en afdalen van op het oog onmogelijke rotsen. Natuurlijk kom je oog in oog te staan met de grote marmotten (Murmeltiere) die op sommige plaatsen bijna handtam zijn.

Je vindt er ook vele soorten vogels, er zijn zeer zeldzame soorten bij. Hoewel weinig mensen het land speciaal bezoeken vanwege de vogels, de liefhebber vindt er veel van zijn gading. Niet alleen diverse mezensoorten, ook tal van spechten, vaak bont gekleurd, zijn eenvoudig waar te nemen. Het wordt moeilijker om het goudhaantje of de barmsijs te vinden. In de bossen, tussen dichte grondbegroeiing vindt je, als je geluk hebt, de auerhaan, vooropgesteld dat er bosbessen te vinden zijn. Tussen het groen valt de grote donkere vogel met de rode vlek boven de ogen op. De zeldzame notenkraker behoort tot de kraaienfamilie, hij is echter bruin met lichte spikkels. Horen kun je hem zeker, in de buurt van pijnbomen (hij voedt zich voornamelijk met de zaden van deze boom) zul je zijn typisch kraaiengeluid zonder al te veel inspanning waar kunnen nemen. Op de grens van bomen en gras leeft de korhoen en langs de bergbeken in diverse vegetatiezones zijn de gele kwikstaart en de waterspreeuw eenvoudig te ontdekken. Hoog in de bergen leven geheel andere vogels. Diverse soorten zwaluwen nestelen tussen de rotsen. In de grassen leeft de waterpieper, maar als je hoog boven je hoofd een betrekkelijk kleine vogel de wonderlijkste capriolen ziet uithalen, ook dan heb je deze vogel in beeld. Op grote hoogte leeft de rotskruiper, de naam zegt precies waar je dit roodgevleugelde vogeltje kunt aantreffen. Ook de sneeuwhoen mag niet onvermeld blijven. In de winter hagelwit, buiten het sneeuwseizoen verandert zijn kleur naar bruin. De sneeuwvink en de alpenkauw vindt je op dezelfde hoogte. De laatstgenoemde wordt wel de huismus onder de bergvogels genoemd, hij is overal te vinden waar mensen voedsel achterlaten. Je herkent de kauw aan zijn zwarte verenkleed en zijn geelachtige snavel. Onder de roofvogels bevinden zich steenarenden. Ze zijn niet bijzonder zeldzaam, maar ze hebben een leefgebied nodig van zo’n 100 km² per paar. De lammergier is wel echt zeldzaam. Hij ontleent zijn naam aan het feit dat hij in de vele verhalen die de ronde doen over deze geweldig grote vogel (met meer dan 2,5 meter spanwijdte de grootste roofvogel van Europa) wordt neergezet als een rover die het op lammeren en ander jong wild gemunt heeft. Ook jonge kinderen vallen (in die verhalen) ten prooi aan de vogel en dat zou de reden zijn waarom men op grote schaal jacht op hem maakte. De lammergier wordt met uitsterven bedreigd. Ook de grootste uilensoort, de oehoe, en grote kraaiachtigen zoals de raaf kun je er bewonderen.

Wildwater is niet alleen een prettige omgeving voor de kanoërs. Forellen voelen zich er uitstekend in thuis en de beekforel is dan ook de meest voorkomende vis in dit soort wateren. In mindere mate worden de snelstromende wateren bevolkt door de regenboogforel, deze vraagt een zeer schone leefomgeving en wat dieper water. De vele meren in Tirol en Vorarlberg herbergen meerforellen en meerzalmen.

Langs het water en op het land treft men tal van soorten hagedissen aan. De alpensalamander is vooral 's nachts actief. Wist je dat een wijfje van deze soort levende jongen baart? Doorgaans zelfs een tweeling. In de directe omgeving van kleine meertjes en poelen leven diverse soorten hagedissen en salamanders, maar ook kikkers en padden. De laatstgenoemde soort verplaatst zich soms over zeer grote afstanden naar een paargebied. Waarom dat juist op die plaats moet gebeuren behoort tot de vele raadselen die de pad nog omgeven. Al zijn er tientallen slangensoorten in Tirol en Vorarlberg, er is er maar één waar je voor op moet passen: de adder. Hij komt voor in gebieden met lage begroeiing en tot op een hoogte van meer dan 2000 meter.