Geologie: de Alpen

Alpinezout
Alpinezout

De meeste toeristen worden door Tirol en Vorarlberg aangetrokken vanwege de Alpen. Vooral wij, van het platteland, kunnen ons met verbazing afvragen waar die geweldige obstakels in het land vandaan komen. ‘Alpen’ is in feite een verzamelnaam voor een aantal bergketens en bestaat uit de Centrale Alpen, de noordelijke en zuidelijke Kalkalpen die elk op zich weer onderverdeeld zijn in andere bergketens, elk met hun eigen naam. Deze alpen vormen een langgestrekte bergkam met op tal van plaatsen zijkammen. Gewoonlijk spreken we over zijdalen, maar het mag duidelijk zijn dat er zonder bergen ook geen dalen zijn.

De benaming Voralpen wekt verwarring. Deze vind je niet in het westen van het land hoewel de naam Vorarlberg misschien suggereert dat dit een deel van de Vooralpen is. Vorarlberg om dit maar even als voorbeeld aan te houden vormt de aanloop naar de Arlberg. Dit soort benamingen in tal van variëteiten, komen in geheel Oostenrijk voor. De Vooralpen liggen in oostelijk Oostenrijk, zeg even in de omgeving van Salzkammergut, ze vormen de overgang van de Alpen naar het vlakke land.

De Alpen behoren tot de jongste gebergten ter wereld en je zou nu niet meer zeggen dat op de plaats waar zich nu de Alpen bevinden ‘nog maar’ 200 miljoen jaren geleden een geweldige zee was: de Thetyszee die zich uitstrekte tot in Azië. De bodem van die zee bestond uit graniet. De zee slibde als het ware dicht, werd althans ondieper vanwege de vele materialen die door de rivieren die in de zee uitmondden werden aangevoerd.

Laag na laag werd zo op de bodem van de zee afgezet in een periode die wel 150 miljoen jaar duurde. Wat achterbleef was (alpine)zout, veel zout, waar tal van heersers schatrijk door geworden zijn. Ongeveer 70 miljoen jaar geleden werd voor het eerst de bodem van de zee boven de oppervlakte zichtbaar. Tegelijkertijd verschoof Afrika in de richting van Europa en geweldige krachten duwden de zeebodem verder omhoog. Hierdoor werd de bodem min of meer door elkaar gehusseld en oude en nieuwe aard- en steenlagen kwamen in willekeurige volgorde op elkaar te liggen.

Toen de steenlagen hoog boven de aarde waren verheven zorgden weer en wind ervoor dat de zachtere gesteenten afbrokkelden en er gleuven in de bergen ontstonden, het begin van de dalen.

In het Pleistoceen, de tijd waarin de ijstijden Europa teisterden (ongeveer 2,5 miljoen jaar tot ongeveer 20.000 jaar terug), werd het steenmassief verschillende malen door een ijskap bedekt. Gedurende de perioden dat het weer warmer was voerde het water losgeraakt gesteente verder af, de bodem werd verder uitgehold, de dalen werden dieper. Die beweging heeft minimaal viermaal plaatsgevonden. Ook de gletsjers droegen bij aan de vorming van het landschap, smeltend ijs erodeerde de zachtere oppervlakken en zorgden uiteindelijk voor een grillig landschap.