Gletsjers

Gletsjerlandschap
Gletsjerlandschap

De huidige gletsjers dateren waarschijnlijk niet uit het Pleistoceen (waarvan het einde ligt op ongeveer 20.000 jaar geleden), maar ontstonden in de zogenaamde ‘kleine ijstijd’, betrekkelijk kort geleden, ruwweg vanaf de 15e eeuw.

Een gletsjer bestaat uit een ijslaag, althans zo lijkt het. In feite zijn het ijskristallen die onder grote druk ontstaan zijn. In Tirol en Vorarlberg ligt op sommige plaatsen ‘eeuwige’ sneeuw. Het is algemeen bekend dat, naarmate men hoger komt de temperatuur daalt tot onder het vriespunt. We noemen dat de sneeuwgrens die in Centraal Europa op een hoogte vanaf ongeveer 2.500 meter ligt. De sneeuwgrens daalt naarmate de temperatuur lager wordt. Boven 2.500 meter blijft het altijd vriezen, ook als de temperatuur in de dalen tot zomerse waarden stijgt.

Als de temperatuur altijd onder het vriespunt blijft dan valt de neerslag er in de vorm van sneeuw. Op grotere hoogte ligt de sneeuw metershoog. De druk die dat op de onderste, oudere, sneeuwlagen geeft zorgt ervoor dat er ijskristallen ontstaan. Deze vriezen aan elkaar doordat smeltwater van de oppervlakte door de sneeuw heen dringt en op deze manier ijs vormt. Ligt zo’n ijsmassa op een helling dan komt deze in beweging als gevolg van de massa en deze massa wordt steeds verder samengeperst. Het uiteindelijke resultaat wordt voor ons zichtbaar in de zogenaamde ‘gletsjerpoort’, het punt waarop de gletsjer in een gebied komt waar het smelten sneller gaat als het bevriezen. Uit zo’n poort stroomt water, soms ontstaat dat op die plek als gevolg van de temperatuur aldaar, soms komt het water uit een hoger gebied doordat stenen die door de gletsjer zijn meegevoerd en die zich aan de oppervlakte bevinden zonnewarmte opnemen en deze aan het onderliggende ijs afstaan. Het water sijpelt door de ijsmassa heen en vindt via de poort zijn weg dieper het dal in.

Het mag duidelijk zijn dat de massa die aan de onderzijde van de gletsjer verdwijnt er aan de bovenzijde weer bijkomt. Afhankelijk van de plaats waar de gletsjer zich gevormd heeft en de route die hij aflegt, verplaatst een gletsjer zich tussen de 50 en 150 meter per jaar. Onderweg is er veel gebeurd, de gletsjer heeft zich een weg gebaand door gesteente en een gletsjer kan dus veel gesteente bevatten. Op sommige plaatsen is de ondergrond zo hard dat de gletsjer er als het ware omheen gaat, vaak in verschillende richtingen. Soms breekt een gletsjer. Op deze manieren ontstaan de spleten in de gletsjer die zo diep kunnen zijn als de gletsjer dik is. Gletsjers kunnen kilometers dik worden, echter niet in Tirol of Vorlberg, De maximum gemeten dikte bedraagt daar 'slechts' 500 meter. Dat is tóch een behoorlijke afstap en het is dan ook niet verstandig om je op een gletsjer te begeven zonder ervaren gids.