Geologie

Gletsjer Vertainspitze
Gletsjer Vertainspitze

De Alpen

De meeste toeristen worden door de hoge bergen aangetrokken en vooral wij, van het platteland, kunnen ons met verbazing afvragen waar die geweldige obstakels in het land vandaan komen. ‘Alpen’ is in feite een verzamelnaam voor een aantal bergketens en bestaat uit de Centrale Alpen en de Noordelijke en Zuidelijke Kalkalpen die ieder voor zich weer onderverdeeld zijn in andere bergketens, elk met hun eigen naam. Deze Alpen vormen een langgerekte bergkam met op tal van plaatsen zijkammen. Gewoonlijk spreken we over zijdalen, maar het mag duidelijk zijn dat er zonder bergen ook geen dalen zijn. Het zijn vooral de namen van de dalen die mensen bekend in de oren klinken. Wie heeft er bijvoorbeeld nog nooit gehoord van het Pustertal? De naam Dolomieten is al even genoemd en ook die naam is bij velen bekend. Het gedeelte dat in Italië ligt (waarvan een groot deel in Zuid-Tirol) wordt officieel aangeduid als de Dolomitische Alpen. Uiteraard gaat de naamsaanduiding door tot in hele kleine details waarbij de namen van de bergtoppen (soms meerdere per berg) de kleinste aanduiding vormt.

De Alpen behoren, zoals reeds opgemerkt, tot de jongste gebergten ter wereld en je zou niet zeggen dat zich op de plaats waar nu de Alpen oprijzen zich ‘nog maar’ 200 miljoen jaren geleden een geweldige zee bevond: de Thetyszee, die zich uitstrekte tot in Azië. De bodem van die zee bestond uit koraal en graniet. De zee slibde als het ware dicht, werd althans ondieper vanwege de vele materialen die door de in zee uitmondende rivieren werden aangevoerd. Op de afscheiding van zee en land leefden onder andere dinosaurussen. De duidelijkste sporen ervan werden ontdekt in zuidelijk Trentino, in Lavini de Marco nabij Rovereto. De vroegste voetafdrukken die tot nu toe ontdekt zijn ontstonden in het begintijdperk van de Jura, ongeveer 190 miljoen jaar geleden.

Laag na laag werd op de bodem van de zee afgezet in een periode die wel 150 miljoen jaar duurde. Ongeveer 70 miljoen jaar geleden kwam de zeebodem voor het eerst boven de waterspiegel uit. Tegelijkertijd verschoof Afrika in de richting van Europa en de geweldige krachten die hiermee gepaard gingen duwden de zeebodem verder omhoog. Hierdoor werd deze min of meer door elkaar gehusseld en oude en nieuwe aard- en steenlagen kwamen in willekeurige volgorde op elkaar te liggen.

Toen de steenlagen hoog boven de aarde waren verheven zorgden weer en wind ervoor dat de zachtere gesteenten afbrokkelden en er gleuven in de bergen ontstonden, het begin van de dalen.

In het pleistoceen, de tijd waarin de ijstijden Europa teisterden (ongeveer 2,5 miljoen jaar tot 20.000 jaar terug), werd het massief verschillende malen door een ijskap bedekt. Gedurende de periodes dat het weer warmer was voerde het water losgeraakt gesteente verder af, de bodem werd verder uitgehold, de dalen werden dieper. Die beweging heeft minimaal viermaal plaatsgevonden. Ook de gletsjers droegen bij aan de vorming van het landschap, smeltend ijs erodeerde de zachtere oppervlakken en zorgden uiteindelijk voor een grillig landschap.

Gletsjers

De huidige gletsjers dateren waarschijnlijk niet uit het pleistoceen (dat ongeveer 20.000 jaar geleden eindigde), maar ze ontstonden in de zogenaamde ‘kleine ijstijd’, betrekkelijk kort geleden, ruwweg tussen de 13e en 19e eeuw.

Een gletsjer bestaat uit een ijslaag, althans zo lijkt het. In feite zijn het ijskristallen die onder grote druk ontstaan zijn. In Zuid-Tirol ligt ‘eeuwige’ sneeuw. Het is algemeen bekend dat, naarmate men hoger komt de temperatuur daalt tot onder het vriespunt. We noemen dat de sneeuwgrens die in Zuid-Tirol vanaf een hoogte van ongeveer 2500 meter ligt. Daarboven is de temperatuur altijd onder het vriespunt en de neerslag valt er in de vorm van sneeuw. Op grotere hoogte ligt de sneeuw metershoog. De druk die dat op de onderste, oudere, sneeuwlagen geeft, zorgt ervoor dat er ijskristallen ontstaan. Deze vriezen aan elkaar doordat smeltwater van de oppervlakte door de sneeuw heen sijpelt en op deze manier ijs vormt. Ligt zo’n ijsmassa op een helling dan komt deze in beweging als gevolg van het eigen gewicht en deze massa wordt steeds verder samengeperst. Het uiteindelijke resultaat wordt zichtbaar in de zogenaamde ‘gletsjerpoort’, het punt waarop de gletsjer in een gebied komt waar het smelten sneller gaat als het bevriezen.

Uit zo’n poort stroomt water, soms ontstaat dat op die plek als gevolg van de temperatuur aldaar, soms komt het water uit een hoger gebied doordat stenen welke door de gletsjer zijn meegevoerd en die zich aan de oppervlakte ervan bevinden, zonnewarmte opnemen en dit aan het onderliggende ijs afstaan. Het water zakt dan door de ijsmassa heen en vindt via de poort zijn weg dieper het dal in.

Het mag duidelijk zijn dat de massa die aan de onderzijde van de gletsjer verdwijnt er aan de bovenzijde weer bijkomt. Afhankelijk van de plaats waar de gletsjer zich gevormd heeft en de route die hij aflegt, verplaatst een gletsjer zich tussen de 50 en 150 meter per jaar. Onderweg is er veel gebeurd, de gletsjer heeft zich een weg gebaand door gesteente en een gletsjer kan dus veel gesteente bevatten. Op sommige plaatsen is de ondergrond zo hard dat de gletsjer er als het ware omheen gaat, vaak in verschillende richtingen. Soms breekt een gletsjer. Op deze manieren ontstaan de spleten in de gletsjer die zo diep kunnen zijn als de gletsjer dik is. Het is dan ook niet verstandig om zich op een gletsjer te begeven zonder ervaren gids.

Andere onderwerpen