Economie

Sinds de toetreding van Spanje tot de Europese Unie in 1986, heeft het land een indrukwekkende economische groei doorgemaakt. Die was voor het grootste deel toe te schrijven aan de modernisering met buitenlands kapitaal van de verouderde, arbeidsintensieve en sterk centralistische Spaanse landbouw en industrie.

Keerzijde van de medaille was een stijgende werkloosheid. Die behoorde in de jaren negentig van de vorige eeuw al tot de hoogste van de EU.

Te laat en te langzaam

Ondanks die modernisering veranderde er structureel weinig: de economie bleef gedomineerd door ondoorzichtige, onder politieke patronage staande banksyndicaten, invloedrijke familieholdings, inefficiënte en verlieslijdende staatsbedrijven en grootgrondbezitters. Bovendien hielden alle 17 autonome regio’s er een eigen industriepolitiek op na.

De Spaanse industrie vernieuwde te laat en te langzaam. Kleinschaligheid, gebrek aan innovatie en slecht management brak het bedrijfsleven op. De textiel- en leerindustrie die traditioneel haar wortels heeft in Catalonië is daar een voorbeeld van.

Een ander voorbeeld is de toeristenindustrie. Deze geldmachine begon eind jaren tachtig van de vorige eeuw te haperen door slechte service en ondermaatse accommodaties. Buitenlandse touroperators verlegden hun koers richting Turkije. Spanje vergat te investeren in kennis en kwaliteit. Het land telde slechts 30 landelijke toeristische opleidingen. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Frankrijk, dat midden vorige eeuw over 650 opleidingsinstituten beschikte, tot op universitair niveau.

Diep snijdende saneringsmaatregelen hebben deze servicegevoelige sector sinds de eeuwwisseling weer rendabel gemaakt. Spanje trekt ca. 57 miljoen toeristen per jaar, w.o. 1,7 miljoen Nederlanders. Verwacht wordt dat het er in 2020 75 miljoen zullen zijn.

Wat de zware industrie betreft (staal-, mijn- scheepsbouw) die zich hoofdzakelijk in het noorden van het land concentreert, was de regering al in de jaren zeventig van de vorige eeuw begonnen met de noodzakelijke herstructurering. Conflicten met de vakbonden zorgden voor vertraging van dit proces. Er zijn nu nog ca. 40 kolenmijnen in gebruik met ruim 8000 mijnwerkers.

Muntunie

In aanloop naar de invoering in 2002 van de euro, trok het toenmalige centrumrechtse kabinet in versneld tempo de economische lijn door die onder de voorgaande socialistische regering was ingezet.

Privatisering was het sleutelwoord. De verkoop van staatsbedrijven moest ertoe bijdragen dat het Spaanse begrotingstekort drastisch werd teruggebracht om aan de eisen voor toetreding tot de Europese muntunie te kunnen voldoen.

Het begrotingstekort was mede ontstaan door de opgebouwde schuldposities van de autonome regio’s en de daaraan verbonden banken. Ondanks dat Spanje het examen niet haalde, werd het land toch tot de muntunie toegelaten. 

Elk voordeel heeft zijn nadeel. Met de invoering van de euro gaf Madrid een belangrijk economisch wapen uit handen: het devalueren van de nationale munt om daarmee de eigen concurrentiepositie op de wereldmarkt te versterken.

Nog altijd vormen de banken een zwakke schakel in de economie. De sector is sterk verbonden met politieke partijen,vakbonden en maatschappelijke organisaties waardoor de noodzakelijke hervormingen plaatsvinden met de handrem erop. Spanje telt de meeste bankfilialen per inwoner in de EU. Daardoor zijn de bankkosten relatief hoog. De grote 'bankdichtheid' is nu nog een compensatie voor de relatief lage automatiseringsgraad van de sector, maar verwacht wordt dat in de nabije toekomst veel bankfilialen zullen sluiten. Vóór de crisis waren persoonlijke relaties vaak belangrijker dan kredietwaardigheid, maar ook daarin is onder druk van 'Brussel' verandering aan het komen.

Bubbels

2004 was het jaar dat de socialisten opnieuw aan de macht kwamen. De rode draad van het economisch beleid van de nieuwe regering was investeren en privatiseren. Met behulp van Europese structuurfondsen, de Wereldbank, IMF, Europese en Spaanse banken en private beleggers werd er volop geïnvesteerd in nieuwe infrastructuur – van snelwegen tot hogesnelheidstreinen, van woonwijken tot kantoorgebouwen, van rotondes in naamloze dorpen, van snelwegen van hier naar nergens, tot complete centrumrenovaties van grote steden en de aanleg van regionale vliegvelden.

Een paar voorbeelden. De Baskische regering haalde voor 100 miljoen dollar het prestigieuze Guggenheim Museum naar de hoofdstad Bilbao. Daarna werd de omringende binnenstad voor een veelvoud van dat bedrag in stijl ‘verbouwd’. In La Coruña werd de trambaan rond het oude centrum vernieuwd en voorzien van de mooiste en kostbaarste bovenportalen die maar denkbaar zijn, met smeedijzeren krullen en ingelegde decoraties. Nog regelmatig blijft de tram in de remise omdat er geen geld is om hem te laten rijden.

In Valencia bouwde de Spaanse architect Santiago Calatrava, berucht om zijn budgetoverschrijdingen, in 1998 voor 1,1 miljard euro het megalomane Ciudad de las Artes y de las Ciencias (Stad van Kunst en Wetenschap). Een toeristische trekpleister waarvan nog altijd grote delen leeg staan en het dagelijks onderhoud een vermogen kost. Of neem de recent voltooide prestigieuze Metropol Parasol in Sevilla, het grootste houten bouwwerk ter wereld. 

De Castiliaanse provinciestad Ciudad Real trakteerde zichzelf in 2009 op een heus vliegveld. Kosten: 450 miljoen euro. Het vliegveld dat oorspronkelijk 'Don Quichot' heette, maar al snel werd omgedoopt in 'Ciudad Real Central', trok geen maatschappijen en derhalve passagiers en ging een jaar later al failliet. In 2015 kocht een Chinese investeerder het hele complex voor nog geen 10 duizend euro. Steden als Castellón (Valencia) en Badajoz (Extremadura) schreven ook honderden miljoenen af op hun spookvliegvelden.

Spanje leefde vanaf 1997 tot aan de kredietcrisis 2007 op de pof. Op de credietbubbel volgde de huizenbubbel. De VS en Ierland waren Spanje daarin al voorgegaan. Zowel op het platteland als in de buitenwijken van de grote steden staan talloze half afgebouwde gebouwen en woonwijken. Projecten waarop Spaanse overheden, banken, verzekeraars en private hypotheekverstrekkers spectaculair hebben moeten afschrijven. Daardoor gingen talloze kleine regionale banken over de kop en moesten grote, zogenaamde systeembanken, met belastinggeld worden gered.

Broekriem

De conservatieve Partido Popular die sinds 2011 aan de macht is, rest weinig anders dan de broekriem aan te halen om het overheidstekort op het door Brussel geëiste niveau terug te brengen.

Rekende de Wereldbank Spanje in 2004 nog tot de achtste economie van de wereld, anno 2012 is Spanje afgezakt naar de 14de plaats. Het bruto minimumloon bedraagt € 753,00 (Ned. € 1.487,00) terwijl de kosten van levensonderhoud wel, maar niet veel lager liggen dan in de Noord-Europese landen.

De werkloosheid is extreem hoog in Spanje. In het eerste kwartaal van 2014 had ruim 25 procent van de beroepsbevolking geen betaalde baan (Nederland: 7 procent), dat wil zeggen ruim 6 miljoen mensen. Van de jongeren onder de 25 is 54 procent werkloos (Nederland 11%).

Opvallend is de reactie van het Spaans Openbaar Ministerie op de bankencrisis: het doorgaans trage juridische apparaat schakelde op naar de hoogst denkbare versnelling en veroordeelde de afgelopen jaren talloze bankdirecteuren en soms hele bankbesturen wegens nalatigheid en zelfverrijking.

Opleving

Voorlopig is Spanje nog niet uit de economische zorgen. Doordat door fabriekssluitingen en het beperken van overheidsdiensten de werkloosheid hoog blijft, en de met staatssteun op de been gehouden banken steeds meer mensen uit hun huis zetten vanwege hypotheekschuld, neemt de sociale onrust toe. Sinds 2008 zijn naar schatting 600 duizend huizen ontruimd.

Die onrust uit zich niet alleen in demonstraties, maar ook in het kraken van leegstaande woningen in zogenaamde spookwijken, nieuwbouwwijken met onverkoopbare huizen. En in de opkomst van linkse politieke bewegingen als Podemos.

De winkelstraten in veel Spaanse steden hebben door de leegstand veel weg van een slecht onderhouden gebit. Maar ook grote retailers als het bekende warenhuis El Corte Inglés (De Engelse Snit) (omzet 14 miljard euro, 100 duizend medewerkers) hebben de afgelopen jaren hun omzet sterk zien dalen.

De onroerendgoedmarkt aan de costa’s laat een opleving zien: vooral buitenlanders slaan nu hun slag bij het kopen van een vakantiewoning. De prijzen daarvan zijn soms tot de helft gedaald. 

De Spaanse regering probeert ook kopers buiten de EU, zoals Russen en Chinezen, te verleiden een recreatiewoning te kopen. Daartoe wordt gewerkt aan een versoepeling van de visumplicht.

Een ander 'lichtpuntje' is de groei van wat wel de schaduweconomie wordt genoemd, het zwarte circuit. Traditioneel is die in Zuid-Europese landen groot, maar de economische crisis zorgt voor een extra impuls; geschat wordt dat in Spanje 20% van de economische bedrijvigheid buiten de fiscus om plaatsvindt.

Landbouw en industrie

De belangrijkste industriecentra in het over het algemeen agrarische Spanje zijn te vinden in het noorden van het land rond Oviedo, Santander en Bilbao. Hier is de noodlijdende scheepsbouw en staalindustrie geconcentreerd.

Sterk geïndustrialiseerde gebieden bevinden zich rond Barcelona en Valencia; daarnaast kennen Cartagena, Sevilla en Madrid belangrijke industriecentra.

Catalonië en Baskenland zijn van oudsher de trekpaarden van de Spaanse economie. Die drijft naast toerisme op de export van groente, fruit en citrusvruchten, olijfolie en wijn; tussen Almería en Malaga strekken zich onafzienbare plastic tuinbouwkassen uit. Spanje neemt 50% van de wereld olijfolieproductie voor zijn rekening. Grootste producent is DeOleo (voorheen Grupo SOS) met merken als Bertolli en Carbonell. 

Sterke sectoren zijn de assemblage van personen- en vrachtwagens, de ontwikkeling en bouw van machines, productie van halffabricaten, elektronische apparatuur en textiel, en de verwerking en doorvoer van aardolieproducten en gas.

Opmerkelijk is dat ondanks de malaise steeds meer Spaanse bedrijven meedraaien in de wereldtop op het gebied van geavanceerde technologieën zoals vliegtuigbouw, informatica, biotechnologie, zonne-energie en infrastructuurtechniek.

De automobielindustrie heeft de afgelopen tien jaar een enorme expansie doorgemaakt waardoor Spanje nu een van de grootste automobielexporteurs ter wereld is. PSA Peugeot Citroën, Opel en Ford hebben grote fabrieken in Spanje – recent verplaatste Ford zijn vestiging in het Belgische Genk naar Spanje vanwege de lagere loonkosten.

Onroerendgoed

De onroerendgoedsector staat in Spanje sterk onder druk en is veranderd van een verkopersmarkt in een kopersmarkt. Zowel in de particuliere, zakelijke als recreatiesector is de afgelopen decennia te veel, te snel, te slecht en te duur gebouwd. Daardoor is er nu veel leegstand en is het aanbod groot, vooral in de steden.

Voor wie een recreatiewoning wil kopen zijn het nu gouden tijden. De prijzen zijn vaak met tientallen procenten gedaald. Toch is het een illusie te denken dat je voor een habbekrats aan de costa's een mooie villa-met-zeezicht op de kop kunt tikken. De waarde van dit soort 'residentiële' panden is relatief stabiel. De prijsdaling zit hem vooral in slecht gelegen en gebouwd en dus incourant onroerendgoed. Een van de grootste aanbieders van recreatiewoningen op de Spaanse markt is de Amerikaanse franchiseketen REMAX.