Guatemala

Swipe

Weven en kleding

Van oudsher werd het weven in de Maya-cultuur geassocieerd met voortplanting. Daarom was de maangodin Ixchel niet alleen de godin van de geboorte, maar tevens de beschermster van de vlecht- en weefkunst. Als jonge vrouw werd ze dan ook meestal afgebeeld met een rugbandgetouw; het weven was oorspronkelijk vrouwenwerk onder bescherming van een godin. Het eenvoudige rugbandgetouw wordt nog steeds door de Indiaanse vrouwen gebruikt.

De textiel uit Guatemala behoort tot de beste van de wereld vanwege de ingewikkelde techniek, de gevarieerde vormgeving, de aparte motieven, de harmonieuze kleurencombinaties en de grote verscheidenheid aan stoffen.

Het weven maakt naast het huishoudelijk werk een wezenlijk onderdeel uit van het leven van de Indiaanse vrouwen in het hoogland. Zij besteden dagelijks enkele uren aan het spinnen van garen, het weven van de stoffen en het naaien hiervan tot kledingstukken voor dagelijks gebruik. Er is niet zo heel veel verschil tussen de dagelijkse kleding en de kleding voor feesten en ceremonieel gebruik; deze laatste is wel vaak mooier afgewerkt en wordt van fijnere stoffen gemaakt. Al op 8- of 9-jarige leeftijd leren de meisjes weven waarbij ze dan in hun puberteit, als ze 14 of 15 jaar oud zijn, al volleerde weefsters zijn.

Al heel lang is katoen de meest gebruikte vezel. Volgens de legenden uit de Popol Vuh, het heilige boek van de Quiché-Maya’s, is de Quiché-koning Hunahpú de ontdekker van de katoenvezel en tevens de uitvinder van het spinnen. De Spanjaarden brachten uit Europa zijde en wol mee. Tegenwoordig worden ook veel kunstvezels als rayon, kunstzijde en perlon gebruikt waaraan meestal een zijdeachtige glans wordt gegeven.

Vroeger gebruikte men uitsluitend natuurlijke kleurstoffen zoals het purper van de purperslak, het blauw van de indigoplant en het rood van de cochenille (cactusschildluis). De laatste twee kleurstoffen werden zelfs belangrijke exportproducten. Het garen wordt tegenwoordig vooral met chemische kleurstoffen geverfd.

De ruwe katoen wordt vaak met een eenvoudige houten klos en spoel gesponnen. Het traditionele rugbandgetouw (palito) bestaat uit bepaalde basiscomponenten, hoewel er verschillen zijn in de grootte en het aantal stokken dat gebruikt wordt. Dit type weefgetouw bestaat uit twee stokken die het uiteinde vormen en die de schering (de verticale draden) ondersteunen. Een van deze stokken wordt vastgebonden aan een paal of boom, terwijl aan de andere stok een lederen band of touw wordt vastgemaakt. Deze band wordt rond de heupen van de weefster gelegd zodat de spanning geregeld kan worden door het bovenlichaam te bewegen. Deze weefgetouwen zijn zeer makkelijk verplaatsbaar en hoeven alleen ergens aan bevestigd te worden. Vanwege de lage investeringskosten voor zo’n weefgetouw is iedereen in staat te weven. Op deze weefgetouwen worden de huipiles, de traditionele blouses voor vrouwen, geweven die vaak uit twee of drie stukken stof bestaan, die naderhand aan elkaar genaaid worden.

Omdat op deze weefgetouwen alleen relatief kleine stukken stof geweven kunnen worden, introduceerden de Spanjaarden het voet- of trapgetouw waarop cortes, standaardlengtes stof, geweven worden. Op smallere weefgetouwen weeft men haarbanden en ceintuurs. Deze trapgetouwen worden vooral door mannen bediend en vind je veel in steden als Totonicapán, Salcajá en Quetzaltenango.

De weeftechniek van de huipiles bestaat vaak uit het zelf opzetten van de schering op het rugbandgetouw, terwijl de manier waarop de cortes geweven worden heel gevarieerd is. De stof kan dicht of losjes geweven worden en kan ook nog geborduurd worden. Er is zelfs een mogelijkheid om een patroon aan beide kanten van de stof in te weven, zodat het hiervan gemaakte kledingstuk aan twee kanten gedragen kan worden.

Guatemala kent van de Latijns-Amerikaanse landen de levendigste ikattraditie, die jaspe genoemd wordt naar het Spaanse woord dat ‘gevlekt’ betekent. De stof wordt ‘jaspeado’ genoemd en deze ‘uitsparingstechniek’ bestaat uit het verven van garens op de gewenste plaatsen voordat deze tot stof geweven worden. Het afbinden en verven neemt de meeste tijd in beslag. In de vroegkoloniale periode gebruikte men deze weefsels om er heiligenbeelden mee te omkleden. Plaatselijke tradities bepalen het dragen van bepaalde jaspe-motieven in bepaalde kleuren, terwijl vroeger bij de Quiché-Indianen gold: hoe hoger de klasse van de drager, hoe ingewikkelder het jaspe-patroon.

De dessins en motieven in de geweven stoffen zijn vaak aan regio of plaats gebonden. Soms is de betekenis nog bekend of kan men deze afleiden. Zo kunnen afbeeldingen van dieren bedoeld zijn als ‘nahuals’, beschermdieren van de mens en de vleermuis op de jasjes van de mannen in Sololá is het symbool van de laatste dynastie van het Cakchiquel-volk. Vroeger gaven bepaalde symbolen vaak ook nog aan of een persoon gehuwd was of niet, tot welke leeftijdsgroep hij of zij behoorde en uit welke sociale klasse hij of zij afkomstig was. De betekenis van deze symbolen is echter in de loop van de tijd verloren gegaan en de wevers gebruiken ze tegenwoordig alleen nog uit gewoonte. Aan de gebruikte stoffen en dessins is meestal alleen nog te zien uit welk dorp of welke regio de persoon afkomstig is.

De ontwikkeling van de kleding

Meisje in typische klederdracht van Todos Santos CuchumatánDe allereerste primitieve kleding van de mens in Latijns-Amerika bestond uit het bedekken van het lichaam met bladeren. Daarna volgden het beschilderen van het lichaam en ten slotte gebruikte men dierenhuiden, die nog steeds door de Lacandón-Indianen gedragen worden tegen de kou.

Een stuk stof van vezels dat in het midden over het hoofd getrokken kon worden, was de voorloper van de huipil (blouse), die vroeger door zowel mannen als vrouwen gedragen werd. Een gordelband of ceintuur hield het kledingstuk op zijn plaats en in deze band konden ook persoonlijke bezittingen meegedragen worden. Op deze gordels verschenen symbolen die iets zeiden over de drager zoals afkomst en sociale klasse of het waren uitsluitend persoonlijke versieringen.

Tot aan het begin van de 19e eeuw werd door mannen een lendendoek gedragen, die zich volgens Indiaanse legenden uit de gordelband of ceintuur ontwikkelde, hoewel het logischer lijkt het omgekeerde te veronderstellen. Deze lendendoek wordt in de huidige kleding nagebootst door een overbroek (Todos Santos Cuchumatán) of rodillera (wollen lap) rond de heupen (Sololá).

Op de vazen en stenen monumenten uit de klassieke Maya-periode staan mannen en vrouwen van de heersende klasse in prachtige kostuums afgebeeld. Zij dragen een soort schort met een voor- en achterstuk dat door een brede, uitbundig versierde geweven gordelband wordt opgehouden. Het bovenlichaam is bedekt met een huipil of vele grote halssieraden van dierentanden, metaal en bewerkte jade. Op het hoofd droeg men een enorme veren hoofdtooi met talrijke versieringen en als sieraden werden ook armbanden en enkelbanden evenals neus-, lip- en oorpluggen gedragen. De persoon die afgebeeld staat op stèle H te Copán, draagt een prachtig voorbeeld van dit kostuum, waarbij de stof van de kleding in verschillende technieken geweven is.

De huidige afstammelingen van de Maya’s dragen kleding die in veel opzichten doet denken aan het traditionele Maya-kostuum. Kenmerken zijn: de ingewikkelde patronen, de coupe en de heldere kleuren. De refajo (rok) die als een soort wikkelrok om het lichaam van de vrouw gewikkeld wordt en de bijzondere hoofdversieringen in de vorm van diverse soorten haarbanden vertonen duidelijk verwantschap met het kostuum van de oude Maya’s evenals de versieringen op de gordelbanden en ceintuurs.

Er is door het vochtige klimaat heel weinig oude textiel bewaard gebleven, maar in archeologische vindplaatsen waar afdrukken van textiel werden gevonden, zijn wel de verschillende oude technieken ontdekt. Zo bleek dat men in de Maya-periode dezelfde spintollen en rugbandgetouwen gebruikte. De kleding van de Maya-hoogwaardigheidsbekleders komt het meeste overeen met de kleding van de moderne Indiaanse vrouw.

In de koloniale periode nam de Indiaanse bevolking die kledingstukken van de Spanjaarden over die zij nuttig vond. Uit de incomplete beschrijvingen van Spaanse kroniekschrijvers kon men opmaken dat de vrouwen een lang stuk stof droegen, een voorloper van de refajo (rok). De vrouwen uit de hogere klasse droegen een soort lange huipil. Over het alge-meen was de Indiaanse man in deze tijd opvallender gekleed dan de vrouw.

De Spaanse priesters waren niet erg gecharmeerd van de sieraden van de Maya-elite die door beide seksen gedragen werden. Met deze mode werd door aandrang van de priesters dan ook gebroken en vanaf 1563 mochten ook geen gouden en zilveren draden meer in de stoffen verwerkt worden. De moderne Indiaanse vrouw is echter nog steeds gek op sieraden.

De wijde Spaanse rok, de refajo of corte plegado, werd geïntroduceerd en door sommige Indiaanse vrouwen gedragen. Of de man-nenbroek zich ontwikkeld heeft uit het Maya-schort, is niet helemaal duidelijk. De lange broek is wel een kledingstuk dat uit Europa afkomstig is evenals lange mouwen, schoenen, hoeden en jasjes, waarvan de laatste geïnspireerd waren door de kleding van de Spaanse boeren. Ook de lange gewaden van de Spaanse priesters en nonnen hadden invloed op het Indiaanse kostuum en dat gold ook voor de capes van de Spaanse caballeros (ruiters) die voor ceremonieel gebruik werden overgenomen. Mexicaanse Indianen uit Tlaxcalán, die Pedro de Alvarado in zijn leger opgenomen had, voegden ook nog bepaalde elementen aan de kleding toe. Ondanks de Spaanse invloed op het Indiaanse kostuum heeft het zijn inheemse karakteristieken tot op heden behouden.

De kledingstukken

Man in traditionele kleding van San Pedro la LagunaDe kleding van de Indiaanse bevolking varieert per regio en/of dorp. Er is wel een aantal basiskledingstukken die je overal tegenkomt waarbij de verschillen vooral in de weeftechnieken, versieringen, motieven en kleuren tot uiting komen. Ook het klimaat speelt bij de keuze van de kledingstukken een belangrijke rol.

De kleding van de moderne Indiaanse vrouw bestaat uit de huipil (blouse), die meestal uit twee of drie aan elkaar genaaide met de hand geweven stukken stof bestaat, en een refajo (rok), die geplooid is of om het lichaam wordt gewikkeld en door een faja (ceintuur) opgehouden wordt. Deze fajas zijn leuk om als souvenir mee naar huis te nemen. In Nebaj hebben ze prachtige geometrische dessins.

De huipil wordt meestal in de rok gedragen, maar in Alta Verapaz combineert men een korte, kanten huipil met een blouse die eronder gedragen wordt en een plooirok. De huipiles zijn meestal rechttoe rechtaan zonder coupe; de halsopening wordt mooi versierd met fluweel of borduurwerk. Een van de zijnaden wordt vaak gedeeltelijk opengelaten zodat men een baby gemakkelijk de borst kan geven. Tegenwoordig worden ook huipiles gedragen die gemaakt zijn van stof die op een trapgetouw of machinaal geweven is. Alleen in Sololá dragen de vrouwen een huipil met korte mouwen en in sommige streken draagt men tegen de kou een sobrehuipil (overblouse) over de gewone huipil.

Het haar wordt meestal op een ingenieuze manier in een tocoyal of cinta (haarband) gewikkeld. De tocoyal uit Santiago Atitlán is wel heel op-vallend; hierbij wordt het haar eerst in een band gevlochten en vervolgens wordt de band om zichzelf gewonden, waardoor een soort stralenkrans ontstaat. De Indiaanse vrouw draagt bijna nooit een hoed; alleen in Todos Santos Cuchumatán worden kleine strooien hoedjes gedragen.

Verder dragen de vrouwen perrajes (sjaals) van glanzende kunststof waar ze de baby in dragen en tzutes, doeken die voor allerlei gebruik bestemd zijn zoals ondersteuning van manden op het hoofd en het afdekken van goederen in manden.

Sieraden completeren de dracht en deze bestaan uit zilveren oorbellen en halssieraden van koloniale zilveren munten of goedkope kralen van aluminium, glas of plastic. Hoewel Indiaanse vrouwen traditioneel geen schoenen dragen, lopen ze nu vaak op plastic sandalen, terwijl in de stad ook wel pumps gedragen worden.

De Indiaanse man is over het algemeen minder traditioneel gekleed dan de Indiaanse vrouw en zijn traditionele kleding heeft meer Spaanse invloeden ondergaan. Slechts in enkele gebieden draagt hij met de hand geweven kleding zoals in Todos Santos Cuchu-matán en Sololá. De broeken die gemaakt zijn van met de hand geweven stukken stof zijn vaak wijd en hebben weinig model; ze worden bijeengehouden door een banda (ceintuur/band). De broeken uit Sololá zijn vaak juwelen van weefkunst en die uit Santiago Atitlán worden versierd met borduurwerk in de vorm van vogeltjes, vaak kolibries.

Boven de broek draagt men een camisa (hemd) en een saco (kort jasje), dat in Sololá aan de achterkant prachtig versierd is met een gestileerde vleermuis. In bepaalde streken, zoals Sololá, dragen mannen ponchitos, een rechthoekig stuk stof dat als een soort schort om de heupen wordt geslagen en aan een lendendoek doet denken. In Nahualá en San Antonio Palopó dragen de mannen lange rodilleras (poncho’s) en in de berggebieden draagt men een capixayo, een wollen cape. Tegen de regen beschermde men zich vroeger met een uyacal (regencape van palmbladeren), tegenwoordig hult men zich in een nylon (stuk plastic).

Op het hoofd draagt de Indiaanse man steevast een sombrero (hoed) die in verschillende typen en van verschillend materiaal als leer, wol, stro en palmvezels gemaakt zijn. In Sololá dragen de leden van de cofradías zwarte kachelpijphoeden en in Todos Santos Cuchumatán dragen de mannen dezelfde strooien hoedjes als de vrouwen. In deze regio worden als schoeisel dikke lederen sandalen gedragen die bijna de hele voet bedekken, net zoals de sandalen van de hoogwaardigheidsbekleders op de Maya-monumenten. Deze caites (sandalen) kunnen ook bestaan uit een rubberen zool met een paar riempjes.

Tzutes worden als hoofddoeken en als foulards (halsdoeken) gedragen; ook worden ze rond de hoed gewonden of gebruikt om waardevolle dingen of religieuze voorwerpen in te wikkelen. De cofradías van Chichicastenango dragen prachtige tzutes die vaak met bijzondere weeftechnieken geweven zijn.

Bijna elke Indiaanse man in Guatemala, zelfs als hij westerse kleding draagt, heeft een bolsa of morral (wollen schoudertas) om zijn schouder hangen, die hij vaak zelf gehaakt heeft.

De Indiaanse kinderen worden al heel vroeg als een soort miniatuur-volwassenen gekleed. Zij moeten hun vader en moeder ook al op jonge leeftijd bij van alles assisteren.

Als je wat langer in Guatemala verblijft, kun je na een tijdje herkennen uit welke streek of dorp een Indiaanse vrouw of man afkomstig is.

10 prachtige bestemmingen in Guatemala