Chiloé

Swipe

Geschiedenis en bevolking

Voor de komst van de Spanjaarden werden de eilandjes en de oostkust van Chiloé bewoond door groepen Mapuches (Huiliches) afkomstig uit het noordelijkere Araucanía, en groepen kanovarende Chonos, die later door de Mapuches naar de afgelegen eilanden van Aisén werden verdreven. Verschillende Mapuche-groepen leefden vrij geïsoleerd van elkaar vanwege de moeilijke toegankelijkheid. De Mapuches van Chiloé waren sedentair, verbouwden gewassen als aardappel, maïs en quinoa, hielden lama’s, vingen vis op zee en doken naar schaaldieren. De houten boten of ‘dalcas’, waarmee ze voeren, hadden ze van de Chonos-indianen overgenomen. Veel gebieden zoals de zuidkust werden vanwege gevaarlijke zeestromingen door de zeevarende Mapuches gevreesd en waren onbewoond. Hoeveel Mapuches op Chiloé woonden voor de komst van de Spanjaarden is niet precies bekend, maar geschat wordt dat de bevolking enkele tienduizenden personen bedroeg. Nadat Chiloé al in 1540 was gezien door Spaanse schepen, stichtte in 1567 Martin Ruíz de Gamboa ‘Santiago de Castro’ en nam bezit van het eiland, dat hij ‘Nieuw-Gallicië’ noemde. Rond 1600 beheerden ongeveer 200 Spanjaarden de ‘Encomienda Chiloé’, waar de indiaanse bevolking onbetaald werk moest verrichten voor de Spaanse koning.

Chiloé voorzag vooral Lima van lamawol, hout van de alercebossen, ham en dierlijke vetten. Toen de Mapuches van het vasteland in opstand kwamen en de Spaanse kolonies succesvol vernietigden in de Frontera-oorlog raakte Chiloé geheel van de rest van het koloniale Chili geïsoleerd. De onderdanige bevolking van Chiloé kwam echter niet in opstand en het eiland bleef in Spaanse handen. Sinds de komst van de Spanjaarden in de 17e eeuw was de Mapuche-bevolking door epidemieën van pokken, mazelen en tyfus afgenomen tot minder dan 10.000. Het afgelegen Chiloé had het moeilijk in de 17e en 18e eeuw, toen het buiten alle politieke en sociale ontwikkelingen bleef, en het eiland slechts eenmaal per jaar door een schip uit Lima werd aangedaan. Overvallen door Hollandse piraten en verwoestende aardbevingen troffen het eiland meerdere keren. De (verarmde) Spaanse bevolking vermengde zich snel met de Mapuche-bevolking, waardoor de ‘Chilotes’ ontstonden, de huidige bewoners van Chiloé.

De (in het begin vooral jezuïeten) missie speelde een grote rol in de geschiedenis en ontwikkeling van Chiloé, dat werd beschouwd als het zuidelijkste christelijke bolwerk op aarde, en de verkondiging van het evangelie in deze uithoek op zich nam. De bevolking werd grotendeels bekeerd en een imposant aantal kerken werd gebouwd. Rond 1700 bracht de jezuïetenmissie 300 families Chonos-indianen vanuit de eilandenarchipel van Aisén over naar het Isla Guar, en later naar de onbewoonde eilandjes Chaulinec en Apiao (om de Chonos voor de ondergang te behoeden en tot het geloof te brengen). Van hieruit zeilden de Chonos rond de archipel om te handelen met andere inheemse stammen. Vanwege hun buitengewone navigatievaardigheden werden de Chonos van Chiloé onmisbare gidsen voor de Spanjaarden bij de expedities naar de zuidelijke eilanden en kusten. De Chonos zijn nu uitgestorven. Voor de Spaanse kroon bleef Chiloé een belangrijk strategisch bezit, dat de Spaanse bezittingen op de zuidpunt van het continent moest beschermen. Vanuit Castro werden veelvuldig militaire en religieuze expedities georganiseerd naar de Patagonische pampa’s en naar Vuurland. In 1767 werd in Ancud een fort gebouwd om de positie van Chiloé te verstevigen. Tot in de 19e eeuw behield Chiloé deze strategische rol; in 1843 werd de expeditie om de Straat van Magallanes in bezit te nemen nog vanuit Castro georganiseerd.

Onafhankelijkheid en huidige economie

Ondanks de isolering en de geringe aandacht van Spanje bleef Chiloé de Spaanse kroon het langste trouw en werd pas in 1826 (acht jaar na de onafhankelijkheidsverklaring van Chili) van de Spaansgetrouwen bevrijd. De onafhankelijkheid en de ‘pacificatie’ van Araucanía brachten handel en welvaart naar Chiloé. Het werd een belangrijke haven voor de scheepvaart in de zuidelijke zeeën, en Chiloé’s bossen voorzagen heel Chili van hout voor spoorlijnen, huizen en schepen. De introductie van veeteelt en de komst van Europese kolonisten sinds 1895 versnelde de ontginning van het binnenland van Chiloé. Grote delen van het zuiden en het kustgebergte bleven echter onontgonnen en de bossen van de Cordillera de Piuche zijn nu beschermd in het Parque Nacional de Chiloé. Naast bosbouw en landbouw is visserij een van de belangrijkste bronnen van bestaan op Chiloé, zowel op kleinschalige traditionele wijze als met nieuwe moderne schepen en visserijmethoden. In de kuststreek van Chiloé, Los Lagos en Aisén leeft een groot aantal mensen van de vangst van schaaldieren en het verzamelen van zeewier, dat ‘agar’, een grondstof voor de levensmiddelenindustrie levert (en vooral wordt geëxporteerd naar Japan). De zogenaamde ‘algueros’ verblijven vaak maanden lang op het strand in provisorisch gebouwde hutten, brengen zeewier omhoog en drogen die op het strand. Door de algemene verpaupering onder het vorige bewind moesten steeds meer mensen terugvallen op dit werk, waardoor de voorraden algen langs de kust uitgeput raakten (circa 15.000 algueros, en totaal ongeveer 60.000 mensen die van de zeewiervangst afhankelijk zijn). De regering heeft vanwege de overexploitatie van zeewier vangstbeperkingen en -verboden uitgevaardigd. Om deze negatieve ontwikkeling en de hoge werkloosheid in Chiloé tegen te gaan zijn er verschillende projecten opgestart voor de kunstmatige kweek van zeewier, in ondiep water of in bassins langs de kust, de zogenaamde ‘aquacultuur’. Met Nederlandse deskundigheid en financiële hulp is in Ancud een dergelijk project door de lokale coöperatie van algueros gestart. Hier wordt zeewier geplant op 5 m diepte voor de kust, dat na 2 jaar kan worden geoogst (bron: CEBEMO).

De bouwkunst van Chiloé

De katholieke Kerk heeft van Chiloé met succes ‘een tuin van het geloof’ gemaakt. De meeste Chiloten zijn nog steeds diep gelovig. Van dit geloof getuigen de circa 150 kapellen en kerken op het eiland, waarvan vele dateren uit de koloniale tijd. Elk dorp heeft z’n eigen kapel. Negen van deze kerken hebben de status van nationaal monument: die van Achao, Chonchi, Quilquico, Quinchao, Villipulli, Dalcahue, Nercon, Rilan en San Francisco de Castro. De meeste kerken zijn geheel van hout gebouwd, vaak zonder ijzeren spijkers te gebruiken, en hebben een typische façade met een zuilengalerij en meestal achthoekige klokkentoren. Chiloé’s opvallendste kerk, de bontgekleurde Iglesia San Francisco van Castro is echter van de vorige eeuw. Veel huizen op Chiloé vallen op door hun Chilote-elementen, zoals de houten daken en buitenkanten, die prachtig zijn bekleed met houten schrootjes (’tejuelas’) van alerce in verschillende traditionele patronen. De tejuela-bekleding van alercehout is overgenomen van de huizen uit de streek rond Llanquihue en Puerto Montt, waar ze door Duitse kolonisten in de 19e eeuw werd geïntroduceerd. Hout van alerce is zo duurzaam en volledig waterdicht, dat het onbewerkt is te gebruiken. De zeldzame alerces zijn tegenwoordig beschermd, zodat de huizen nu met andere houtsoorten worden gebouwd. Verder zijn er vooral in Castro nog veel ‘palafitos’ over, karakteristieke paalwoningen die boven het water zijn gebouwd, zodat vissersboten bij hoog water aan de achterdeur kunnen aanleggen.

Handenarbeid, Chilote-gereedschappen en gebruiks-voorwerpen

Chiloé heeft van oudsher veel handwerkslieden die prachtige traditionele kledingstukken, gebruiksvoorwerpen en gereedschappen maken. Met de hand vervaardigde artikelen worden verkocht op de ‘artesanía-markten’ van Ancud, Castro en Anchao; en op de speciale zondagmarkt van Dalcahue, waar de producenten hun artikelen direct aan het publiek verkopen. De grootste artesanía-markt met artikelen van Chiloé bevindt zich echter buiten het eiland: die van Angelmó in Puerto Montt.

Vakanties in Chili

10 prachtige bestemmingen in Geschiedenis en bevolking en Chili