Noordwest-China

Swipe

Dunhuang

Een Boeddhistische oase

Werelderfgoed: Mogao-grotten

Gelegen aan de rand van de Gobi-woestijn zal Dunhuang misschien een onwaarschijnlijke plaats lijken om er een oase van boeddhistische kunst te vinden. Met hoog oprijzende woestijnduinen op de achtergrond weerspiegelen de grotten hier de kracht van goddelijke inspiratie.

Op een dag in de zomer van 1900 stuitte Wang Yuanlu, een bescheiden taoïstische priester die in de buurt woonde op een grot die door een aardverschuiving aan het zicht was onttrokken. Zijn toevallige ontdekking zou een van de belangrijkste verzamelingen boeddhistische artefacten aan het licht brengen die ooit ontdekt zijn.

In de grot bevonden zich voorwerpen die dateerden van de 4e tot de 14e eeuw, een complete collectie uit een periode van zo’n duizend jaar die de ontwikkeling van het boeddhisme vanaf zijn komst naar China volgde. In een droge, donkere grot werd een schat aan goed bewaard gebleven documenten gevonden over onderwerpen variërend van geschiedenis en verhandelingen over politiek, oorlogsvoering en wetenschap tot aan boeddhistische soetra’s en zelfs persoonlijke documenten zoals belastingkwitanties. Er is zelfs zoveel materiaal gevonden dat de ontdekking heeft geleid tot een nieuwe tak van wetenschap, Dunhuang Studies genaamd.

Helaas bevinden de meeste van de documenten zich tegenwoordig verspreid over de hele wereld in musea en verzamelingen, zoals de onschatbare Diamantsoetra, het oudste gedrukte boek, thans in de British Library. Hoewel de documenten zich overal en nergens bevinden, bevatten de grotten nog altijd een schat aan beelden en wandschilderingen.

Vandaag de dag is Dunhuang een ontspannen stad in de provincie Gansu, met de Mogao-grotten (mògïo kù), waar de ver-maarde grotschilderingen zich bevinden, 25 km naar het oosten toe. Dunhuang, eens een belangrijke oasestad aan de Zijderoute, ligt dicht bij de grens van Qinghai, Tibet en Xinjiang. In 111 v.Chr. onder de Han-dynastie, werd de Chinese Muur tot hier doorgetrokken.

Met de huidige stad voor ogen is het moeilijk je het belang van het oude Dunhuang voor te stellen. Dankzij zijn strategische ligging was het een belangrijk doorgangspunt voor de verbreiding van het boeddhisme, dat China in de 3e eeuw na Chr. binnenkwam. Met de ontwikkeling van het boeddhisme ontwikkelde zich ook de stad. Tijdens de 4e eeuw was Dunhuang de laatste pleisterplaats voor Chinese boeddhistische pelgrims op hun weg naar India, en de eerste halteplaats voor aankomende zendelingen.

In 366 had Le Zun, een Chinese monnik die op weg was naar India, een goddelijk visioen van Boeddha, dat hem deed geloven dat hij zich op heilige grond bevond. In zijn geloofsijver begon hij de eerste grotten uit te houwen in de 1,6 km lange zandstenen rotswand. Tien dynastieën lang ging de ontwikkeling door en bereikte een hoogtepunt tijdens de Sui- en de Tang-dynastie. Hoewel de Sui-dynastie niet meer dan 38 jaar duurde, was keizer Wendi een fervent boeddhist, zodat tijdens zijn regering 101 grotten werden uitgehouwen, meer dan tweemaal zoveel als in de 180 jaar daarvoor.

Tijdens de Tang-dynastie, China’s gouden tijdperk van economische voorspoed en openheid, beleefden de grotten hun bloeitijd. In de grotten woonde een gemeenschap van monniken, ambachtslieden en kunstenaars die hun water haalden uit de door de berg gevoedde Daquan-rivier, die voor de rotswand langsloopt. Tijdens deze zeer internationaal georiënteerde dynastie kwamen Griekse, hindoeïstische en Centraal- en West-Aziatische culturele invloeden China binnen. Van de meer dan 1000 grotten uit de Tang-tijd zijn er 232 bewaard gebleven, ongeveer de helft van de in totaal 492 nog bestaande grotten. De grotten uit de Tang-dynastie gelden als de artistiek meest ontwikkelde.

Van de 492 grotten zijn er 60 geopend voor bezoekers, hoewel het kan zijn dat voor een hoge toegangsprijs ook andere grotten toegankelijk zijn. Ca. 45.000 m² wandschilderingen en meer dan 2400 boeddhistische beelden zijn in dit droge woestijnklimaat bewaard gebleven. De schilderingen zelf zijn een onschatbare bron van kennis die de verandering in leefstijl, religie en cultuur over een periode van duizend jaar documenteert. In 1987 werden de grotten op de werelderfgoedlijst van de Unesco gezet.

De architectuur in de grotten weerspiegelt het samenkomen van diverse invloeden in dit gebied en vormt een mengsel van Chinese, Centraal-Aziatische en Indase stijlen, dat nog duidelijker zichtbaar is in de oudere grotten van vóór de Tang. Na de Tang-dynastie was er geen ruimte meer over om nieuwe grotten uit te houwen, waardoor handwerkslieden zich gedwongen zagen oudere grotten overnieuw te doen. Enkele stilistische verschillen om op te letten: de oudere beelden zijn meestal wat houteriger, de beelden lijken krachtiger en de lijnen zijn veel geprononceerder. Tang-sculpturen zijn doorgaans soepel, de lijnen zijn vloeiend – dit is in het bijzonder duidelijk als je naar de gewaden van de beelden kijkt. Terwijl eerdere beelden strenge, gesloten gelaatsuitdrukkingen hebben, zijn die van de Tang-beelden levendig en expressief.

Grot 328 is een voorbeeld van de versmelting van twee verschillende stijlen. De sculpturen in deze grot dateren van de Tang-dynastie, maar de schilderingen op het plafond en op de wanden zijn uit de Song-dynastie. Binnenin zijn drie beelden van Sakyamuni, geflankeerd door twee discipelen. Om te benadrukken dat Sakyamuni geen Chinees was schilderden de ambachtslieden die aan de beelden werkten een “typisch” Centraal-Aziatisch gezicht op het beeld; kijk maar eens goed naar zijn snor. Rechts van de sombere Sakyamuni staat een trots kijkende Ananda, een van Sakyamuni’s favorieten. Links van Sakyamuni staat een magere Kasyapa, wiens gelaat de lijnen van een hard leven toont. De Grotten 98 en 100 zijn eveneens duidelijke voorbeelden van twee verschillende stijlen in één grot.

Voor liefhebbers van architectuur is Grot 96 een hoogtepunt. Dit is een van de grootste grotten, met een 34,5 m hoog beeld uit de Tang-dynastie van Maitreya, de Boeddha van de Toekomst. Buiten staat ook een pagode die net zo hoog is als de rots. Alleen de kern van de boeddha is van steen, omdat de steen in dit gebied te zacht is om iets uit te houwen. De ambachts- en vaklui moesten een terracotta-achtige pleisterlaag op de steen aanbrengen, waaruit ze de fijn afgewerkte details hebben kunnen boetseren en vormgeven. Kleinere beelden werden gemaakt van een houten skelet dat bedekt werd met kaf, riet, hennep en modder alvorens het pleisterwerk werd aangebracht. Als de beelden eenmaal gehouwen waren, werden ze beschilderd met heldere kleuren die ze tot leven deden komen. Niet veel van de sculpturen uit de Tang-dynastie die op deze manier gemaakt werden, zijn bewaard gebleven, wat de objecten die dat wel zijn zeer waardevol maakt voor conservering.

De wandschilderingen zijn beslist de grote trekpleister in de grotten. Als de schilderingen allemaal op een rij naast elkaar zouden worden gezet, zouden ze een lengte van 25 km bestrijken. Als historisch archief zijn de schilderingen zo belangrijk dat geleerden ze een “gemonteerde bibliotheek” hebben genoemd. Sommige schilderingen zijn boeddhistische geschriften en soetra’s, terwijl andere de verschillende etnische ontwikkelingen illustreren waarvan Dunhuang getuige is geweest. Sociale hiërarchieën, tradities, kleding en zelfs muziek en dans zijn het onderwerp geweest van de oude schilders. De verschillende tradities en hoe die zich hebben ontwikkeld zijn duidelijk opgetekend, van belangrijke levensmomenten zoals huwelijken tot alledaagse activiteiten zoals landbouw en zakentransacties. De Grotten 47, 112 en 220 hebben betere voorbeelden van deze schilderingen.

Ook de streek rondom de grotten is interessant. Een klim naar de top van de rots biedt een grandioos uitzicht op de omringende woestijn, bergen en oase. Ten westen van de grotten en ten zuiden van Dunhuang ligt Mingsha Shan (míngshï shïn), wat “zingende zandberg” betekent, hoewel het niet echt een berg is, maar een reusachtig woestijnduin. Als u enige opwinding zoekt na de plechtige grotten, dan is dit de plaats waar u moet zijn. De boeddhistische pelgrims van weleer hebben het nooit zo goed gehad. Zandsurfen, ritjes op kamelen en geneeskrachtige zandbaden (stel u voor dat u tot uw nek begraven wordt) zijn activiteiten die u hier aantreft. In hetzelfde gebied is het ondiepe, door een bron gevoede Maansikkelmeer (yuèyá quán), dat een oase vormt aan de rand van de woestijn. Als u bovenop het woestijnduin gaat staan, doet zich een bijzonder natuurverschijnsel voor. Als het een windstille dag is, is er een fluitend geluid te horen, maar als veel mensen tegelijk het duin af gaan, wordt dat een donderslag. De legende die hier natuurlijk bijhoort vertelt dat een leger dat bij deze oase rustte onder een vreselijke zandstorm begraven raakte en dat de geluiden die men hoort die van de begraven mannen zijn die zich proberen omhoog te worstelen naar de vrijheid. ‘s Middags laat is de beste tijd om hierheen te gaan, omdat het dan veel koeler is.

De Jadepas (yùmén guïn) ligt 98 km ten noordwesten van Dunhuang. Hier was het oude equivalent van het laatste tankstation vóór een lang stuk weg, dat wil zeggen de Zijderoute naar India. Er is hier een bewaard gebleven stuk van de antieke Zijderoute (sîchóu gudào).

Verder ten noorden van Dunhuang, in de Gobi-woestijn, ligt een stuk van de Chinese Muur uit de Han-tijd dat zich oorspronkelijk 150 km ver uitstrekte. In een van de bakentorens, die als seinstations werden gebruikt, zijn tussen de ruïnes geschriften uit de Han-tijd op bamboelatjes gevonden waarvan men denkt dat het brieven, officiële documenten en het oude equivalent van “Gezocht”-posters zijn.

Ook zijn er op extreem hete dagen in de woestijn fata morgana’s te zien. Laat u er niet door verlokken, de toegangsprijs zou wel eens heel hoog kunnen zijn.

Vakanties in China

10 prachtige bestemmingen in Dunhuang en China