Chinese tuinarchitectuur

Al in de 6e eeuw kende Japan de Chinese tuinarchitectuur, en de Europeanen leerden die kennen via Marco Polo, die tijdens de Yuan-dynastie veel tuinen uit de Song-dynastie in het zuiden van China bezocht. In de 17e eeuw werd de Chinese tuinarchitectuur in Engeland geïntroduceerd, vanwaar ze zich vervolgens naar Frankrijk en de rest van Europa verbreidde. Aan het eind van de 18e eeuw had de Chinese tuinarchitectuur een grote invloed op de Europese Romantiek, de Europese tuininrichting verwisselde toen de stijvere aristocratische stijl voor de natuurlijker stijl van de Chinese tuinen.

Westerse en oosterse tuinarchitectuur kennen uiteenlopende vormen en stijlen als gevolg van uiteenlopende filosofieën en schoonheidsidealen. Qua vorm belichaamt de westerse tuinarchitectuur een kunstmatige schoonheid met symmetrische, regelmatige en goed afgewogen ontwerpen. Geometrie is alomtegenwoordig doordat bloemen en planten rechtop en in rechte hoeken worden gesnoeid. De Chinese tuinarchitectuur vereist geen symmetrie en houdt zich niet aan vaste regels, aangezien planten, bomen en gebouwen volgens een natuurlijk patroon worden geschikt. Terwijl de westerse tuinarchitectuur ernaar streeft de tekortkomingen van de natuur te corrigeren, vermengt de Chinese tuininrichting planten en gebouwen tot een organisch geheel en bootst de natuur na door bergen (puntige rotsen) met stromend water aan te leggen als symbool van iets wat poëzie of schilderkunst suggereert. Om de schoonheid van Chinese tuinen ten volle te waarderen is het belangrijk de filosofie te begrijpen die in de landschappen besloten ligt.

Oorsprong en ontwikkeling van de Chinese tuinarchitectuur

De Chinese tuinarchitectuur kent een geschiedenis van meer dan 4000 jaar: de eerste tuinen verschenen al in 2000 v.Chr. tijdens de Shang-dynastie. Shang-koningen gebruikten bossen en bergen om te jagen en als bezienswaardigheden. Uit deze rudimentaire tuinvorm zou zich de Chinese landschapsarchitectuur ontwikkelen.

De eerste tuinen in de vroege Chinese geschiedenis waren vorstelijke statussymbolen van de koningen en aristocraten. Hun meest karakteristieke kenmerken waren dat ze grote gebieden besloegen en een tweeledig doel hadden, om er te jagen en om er offerrites voor de goden te houden.

Geleidelijk aan verbreidde de aantrekkingskracht van tuinen zich buiten de kring van de aristocratie onder ambtenaren, dichters, schilders en handelaren die de schilderachtige plekjes die ze hadden bezocht, dicht bij huis, in hun woonplaats, hoopten te herscheppen. Vroege privétuinen waren klein en hadden stenen die tot bergen waren opgestapeld, en waterlopen die doorgaans met pijnbomen, cipressen en bamboe werden omzoomd. Deze tuinen herschiepen natuurlijke landschappen en worden “tuinen met bergen en watertaferelen” genoemd.

De rijkdom van de Tang-dynastie bevorderde de aanleg van tuinen. De keizerlijke tuinen bevonden zich in Chang’an, het tegenwoordige Xi’an, en de grootste werd de Verboden Tuin genoemd. Deze tuin was 14 km breed en 12 km lang, en bevatte 24 kleinere tuinen en gebouwencomplexen. Het was het voornaamste toevluchtsoord van de keizer, met schilderachtige plekjes en diverse activiteiten, zoals jagen, zingen en dansen.

Tijdens de Tang-dynastie werd het schilderen van landschapsarchitectuur een zelfstandige tak van de Chinese schilderkunst. Bergen, water, bomen en dorpen waren populaire onderwerpen, en schilders probeerden in hun schilderingen de harmonie tussen mens en natuur tot uiting te brengen. Ze schilderden niet alleen maar landschappen, maar drukten in de beelden hun gedachten en gevoelens uit. Tuinen werden in dezelfde geest aangelegd, de tuinontwerper probeert architectonische schoonheid in overeenstemming te brengen met natuurschoon, zodat de toeschouwer een compleet beeld ziet.

Tijdens de Song-dynastie won de tuinarchitectuur nog verder aan populariteit en verbreidde zich verder omlaag langs de maatschappelijke ladder. Eigenaren van theehuizen begonnen tuinen aan te leggen om bezoekers te trekken en jan en alleman kon van hun schoonheid genieten. De landschapsschilderkunst had nu een grotere invloed op de tuinarchitectuur dan tevoren. Zo kon het gebeuren dat de keizer een beroepsschilder inhuurde om een ontwerp te schilderen, en dat de tuin dan volgens dit ontwerp werd aangelegd. De lijnen, structuren en versiering van hoven werden tot in detail uitgewerkt, waarbij bijzondere aandacht werd gegeven aan de plaatsing van kleine ornamenten.

Tijdens de Ming- en de Qing-dynastie bereikte de Chinese tuinarchitectuur een hoogtepunt en werd tot een kunst die muziek, schilderkunst, poëzie en architectuur samenbracht. Tuinen begonnen elkaar te beïnvloeden, en ontwerpers haalden hun inspiratie uit andere tuinen. Het aantal tuinen nam sterk toe, waaronder veel klassieke privétuinen zoals de Tuin van de Nederige Beambte (zhuozhèng yuán ???), de Tuin van de Meester van de Netten (wangshî yuán ???) en de Ge-tuin (gè yuán ??). Vorstelijke tuinen zoals die van het Oude Zomerpaleis (yuánmíng yuán ???) en het Zomerpaleis (yíhé yuán ???) begonnen ideeën uit privétuinen over te nemen.